Hoe vaak zijn Tweede Kamerleden aanwezig in de Tweede Kamer? Na uitgebreid datajournalistiek onderzoek konden collega Daan Marselis en ik in NRC Handelsblad concluderen: opvallend vaak!

Ik bouwde een scraper om de Handelingen van alle plenaire vergaderingen van de afgelopen 19 jaar binnen te halen. Met een ander script turfde ik vervolgens voor alle 2.546 vergaderingen van de Eerste en Tweede Kamer welke Kamerleden wel en niet aanwezig waren. Met die gegevens in de database konden we de opkomst van de volksvertegenwoordigers analyseren.

We vonden een paar interessante verbanden, zoals een klein verschil tussen linkse en rechtse partijen, en dat fractievoorzitters meestal een stuk minder vaak aanwezig zijn dan hun fractie. Maar vooral de historische ontwikkeling is interessant: de gemiddelde opkomst van de Tweede Kamer stijgt de laatste jaren en afgelopen jaar boekte het parlement zelfs een record. Niet eerder waren Tweede Kamerleden zó veel aanwezig als in het afgelopen jaar.

Met dank aan het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Hieronder volgt het complete artikel (een iets langere versie dan wat we publiceerden in het NRC).

NRC 21082013 aanwezigheid Kamerleden

KOPSUGGESTIE
Kamerleden vaker aanwezig dan ooit

TEKST
Daan Marselis en Jaap Meijers

INTRO
Tweede Kamerleden waren het afgelopen jaar vaker aanwezig op vergaderdagen dan in de twee decennia ervoor. Dat blijkt uit onderzoek van NRC Handelsblad. Fractievoorzitters debatteren vaker mee en de bezetting op links is iets minder hoog dan die op rechts.

BROODTEKST
Marianne Thieme reist veel, richt overal ter wereld partijen voor de dieren op, schreef afgelopen jaar een boek en maakt bovendien documentaires. “Daarvoor bedenk ik het format en ik zit ook zelf in een aantal van die documentaires.” Je zou bijna vergeten dat Thieme eigenlijk Kamerlid is, en ook nog de fractievoorzitter van haar partij.
Het is niet toevallig dat Thieme van alle fractievoorzitter het minst aanwezig is in de Tweede Kamer. Sinds 2006 was ze op 71 procent van de vergaderdagen present. Die relatief lage opkomst is een politieke keuze, zegt ze aan de telefoon. “Wij zijn een emancipatiebeweging en een getuigenispartij en we hebben ervoor gekozen om juist veel buitenparlementair te doen. We willen agenderen en zowel binnen als buiten de Kamer het bewustzijn over dierenrechten vergroten.”
Dan past het niet om bij alle vergaderingen aanwezig te zijn. Thieme probeert er wel te zijn bij alle fractievoorzittersdebatten. Ook is ze present als de Kamer onderwerpen bespreekt waarover grote maatschappelijke verontwaardiging bestaat. Om de parlementaire verantwoordelijkheden niet te verwaarlozen is in de tweehoofdige PvdD-fractie een taakverdeling afgesproken: Esther Ouwehand doet de debatten. Zij is dan ook fors meer aanwezig, namelijk 83 procent.
Dat blijkt uit een onderzoek dat NRC Handelsblad uitvoerde naar de aanwezigheid van parlementariërs in de periode 1994 tot nu. Voor het onderzoek baseerden we ons op de presentielijsten zoals die zijn opgenomen in de Handelingen. In die verslagen zijn de namen opgenomen van de leden die op die dag hun handtekening zetten op de zogenaamde ‘tekenlijsten’. Die liggen bij drie ingangen van het Tweede Kamergebouw.
De tekenlijsten dienen om te bepalen of de vergadering van start kan gaan. Daarvoor moeten 76 van de honderdvijftig volksvertegenwoordigers aanwezig zijn. Dit heet het ‘quorum’. Kamerleden die na aanvang van de vergadering binnenkomen, kunnen zich in de plenaire zaal alsnog melden bij de griffie.
Omdat de lijst alleen bedoeld is om te bepalen of de vergadering kan starten, vindt een aantal Kamerleden het tekenen ervan niet belangrijk. Het tekenen van de lijst is bovendien niet verplicht. Kamerleden krijgen ook geen tekenvergoeding zoals in het Europees Parlement. Wel is het goed gebruik om de lijst bij binnenkomst te tekenen. Zoals SP-Kamerlid Jan de Wit zegt: “Het is het eerste dat je nieuwe collega’s leert.”
Volgens Kamerleden wordt het tekenen van de presentielijst desalniettemin regelmatig vergeten. Veel gehoord: Kamerleden die via de fietsenkelder binnenkomen, tekenen niet aangezien daar geen lijst ligt.
Of neem Luuk Blom, die tussen 2002 en 2010 in de Kamer zat. Met zijn gemiddelde aanwezigheidspercentage van 62 procent is hij één van de minst aanwezige PvdA’ers. Naar eigen zeggen is dat te verklaren door zijn buitenlandportefeuille waarvoor hij veel op reis was. Daarnaast was hij niet ‘consciëntieus’ genoeg om de lijst iedere keer te tekenen, waardoor zijn naam af en toe twee weken lang niet in de Kamerverslagen voorkomt. “Ik was er dus wel. Ik was gewoon te laks om te tekenen denk ik.”
Laksheid. Voorzitter Anouchka van Miltenburg van de Tweede Kamer (sinds haar voorzitterschap 95 procent aanwezig tegen 80 procent voor die tijd) laat via een woordvoerder weten dat ‘het tekenen van de tekenlijst de verantwoordelijkheid is van de individuele leden.’ Meer wil ze niet over het onderwerp zeggen.
Alle (oud-)Kamerleden en deskundigen die NRC voor dit artikel sprak, benadrukken dan ook dat een naam op de presentielijst weinig zegt over het functioneren van een individueel Kamerlid. Ook willen ze geen uitspraken doen over een minimaal vereiste aanwezigheid

Uit de aanwezigheidscijfers blijkt dat Thieme niet de enige fractievoorzitter is die minder vergaderdagen bijwoont. Fractievoorzitters zijn over het algemeen minder aanwezig dan hun collega’s uit de fractie. Maxime Verhagen bijvoorbeeld was 62 procent aanwezig. Twintig procentpunt minder dan de CDA-fractie onder zijn leiding.
Oud-staatssecretaris Pieter van Geel (CDA) was fractievoorzitter van begin 2007 tot half 2010. Zijn aanwezigheid als fractievoorzitter was 51 procent. Opmerkelijk is dat hij als niet-voorzitter nog minder aanwezig was, namelijk 47 procent.
Ook Halsema maakte als fractievoorzitter van GroenLinks net iets meer dan de helft van de vergaderdagen mee. Voordat haar rol veranderde, was dat nog 86 procent. Halsema: “Dat ik als fractievoorzitter minder tekende heeft bijvoorbeeld te maken met een verhuizing. We gingen van de ene kant van het Kamergebouw naar de andere kant en bij die deur lag geen tekenlijst.”
Ze vindt een analyse van de tekenlijst geen geschikt instrument om af te lezen of ze functioneerde als Kamerlid, omdat die lijst louter dient om het quorum te halen. “Als je weet dat je die dag niet in de plenaire zaal hoeft te zijn en je hebt ook geen stemmingen, dan teken je niet, ook al ben je er wel. Iedereen weet dat ik ongelooflijk hard gewerkt heb als Kamerlid.”
Wel kan ze zich voorstellen dat de handtekening van fractievoorzitters minder op de presentielijsten prijkt. “Fractievoorzitters doen minder plenaire debatten dan andere Kamerleden. Je moet ook leiding geven aan de fractie en nadenken over de strategie. Bovendien moet je veel gesprekken voeren met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Dat maakt dat fractievoorzitters minder zichtbaar zijn in plenaire debatten. Dat laat je over aan de fractiespecialisten.”
Toch lijkt er wat veranderd. De aanwezigheid van de huidige fractievoorzitters van grootste partijen ligt aanmerkelijk hoger dan die van hun voorgangers, namelijk 18 procentpunt.
Sybrand van Haersma Buma, sinds oktober 2010 voorzitter van de CDA-fractie, is 75 procent aanwezig: minder dan zijn fractie, maar 13 procentpunt meer dan voorganger Verhagen.
Geert Wilders, fractievoorzitter van de PVV, blijkt in die functie zelfs meer aanwezig dan toen hij nog gewoon Kamerlid was voor de VVD. Wilders is niet alleen een van de langst zittende Kamerleden, maar hij is er ook altijd. Over zijn hele periode 94 procent.

Kamerleden komen zo’n honderd dagen per jaar bij elkaar voor plenaire vergaderingen. Uit de cijfers blijkt dat Tweede Kamerleden de meeste van die dagen goed bezoeken. De gemiddelde aanwezigheid ligt in de hele periode december 1994 tot nu op 85 procent.
Tussen 2002 en 2006 is er wel een dip in de opkomst te zien. Het zijn de jaren waarin de LPF in de Kamer zit. Die partij begint met een gemiddelde opkomst van 87 procent, maar zakt snel weg en kent daarna veel afsplitsingen. Over het algemeen komen leden van afsplitsingen een stuk minder opdagen bij vergaderingen. Dat geldt ook voor afsplitsingen van andere partijen. De Kamerleden die de LPF trouw blijven, herstellen zich iets in de jaren 2005 en 2006. De gemiddelde opkomst komt dan net boven de zeventig procent uit.
De dip in aanwezigheid blijft niet tot de LPF beperkt. Kamerbreed blijven meer zetels leeg dan in voorgaande periodes. Mogelijk ook een gevolg van de politieke onrust destijds. Kamerleden moesten meer hun gezicht in het land laten zien. Een andere verklaring is dat er relatief veel nieuwelingen de Kamer instroomden, zoals een enkel Kamerlid zegt. Zo zorgde Kamerlid Ali Lazrak, die er meer niet dan wel was, ervoor dat de gemiddelde aanwezigheid van de SP-fractie in die periode zakte tot onder de 70 procent. Overigens waren ook Piet de Ruiter (wegens ziekte) en fractievoorzitter Jan Marijnissen maar weinig in de Kamer te zien.
Nu zittende fractievoorzitters zijn vaker aanwezig dan hun voorgangers, maar daar blijft het niet bij: de hele Tweede Kamer blijkt vaker aanwezig te zijn. Het huidige parlement heeft zelfs een record geboekt. Tot nu toe was het zittende parlement gemiddeld 90 procent aanwezig op vergaderdagen. Het hoogste percentage in de hele periode sinds 1994.
Volksvertegenwoordigers en politicologen schrijven de hogere aanwezigheid in de afgelopen jaren toe aan de drukte in de Kamer. Het aantal debatten en stemmingen neemt toe (zie tabel). Het is crisis. Politicoloog Kristof Jacobs: “Tijdens Paars I en Paars II was het juist heel rustig. Het spotlight staat er meer op de laatste jaren, met alle debatten over crisis en bezuinigen. Het doet er nu wel toe.”
Met name van het stijgende aantal hoofdelijke stemmingen gaat een zekere dreiging uit. Anders dan bij reguliere stemmingen, telt bij hoofdelijke stemmingen namelijk de individuele aanwezigheid van ieder Kamerlid. De oppositie kan zo gebruik maken van de afwezigheid van collega’s uit het regeringskamp. Juist regeringspartijen moeten daarom zorgen dat te allen tijde het grootste deel van hun fractie in het gebouw is. Immers, als een regeringspartij niet voldoende stemmen kan leveren, maak je in de coalitie geen vrienden.
Nog dwingender zijn moties van wantrouwen. Als coalitiepartij moet je de ministers kunnen steunen als het moeilijk wordt. En omdat moties van wantrouwen per direct in stemming moeten worden gebracht – zoiets laat je tenslotte niet in de lucht hangen – moeten Kamerleden op vergaderdagen altijd in de buurt zijn, desnoods midden in de nacht.
Zo haalde PVV-Kamerlid Barry Madlener begin februari een stunt uit. Hij wilde midden in de nacht een motie van wantrouwen tegen premier Mark Rutte in stemming brengen. In allerijl werden Kamerleden wakker gebeld, maar omdat niet voldoende Kamerleden konden worden opgetrommeld, werd de stemming uitgesteld tot de volgende ochtend.
Dat de vergaderdruk toeneemt, is goed te zien in de opkomst per dag van de week. Traditioneel vinden de stemmingen vooral op dinsdag plaats. Die dag was altijd al het best bezocht en dat is nog steeds zo. Uit de aanwezigheidsstatistieken blijkt nu dat de woensdag en de donderdag de laatste jaren steeds belangrijker worden in het ritme van Kamerleden (zie tabel). Dit komt voornamelijk doordat Europa de afgelopen jaren meer aandacht vroeg. Grote Europese besprekingen vinden vaak in het weekend plaats. De donderdag is dan de laatste dag waarop de Kamer het Kabinet een boodschap mee kan geven.
Opvallend is dat linkse partijen vaker lege zetels hebben dan rechtse partijen. Het verschil is klein maar significant: 3 procentpunt over de afgelopen negentien jaar. In de Eerste Kamer is dat verschil er ook. Tussen grote en kleine partijen lijkt verder geen verschil in aanwezigheidspercentage te zijn.
Het verschil tussen links en rechts is te verklaren vanuit de taakopvatting van die politieke partijen. Zo is de SP opgericht om maatschappelijke problemen naar de Kamer toe te vertalen en streeft ook de PvdA een grote aanwezigheid in de regio na. Beide partijen vinden dat voor dergelijke bezoeken eventueel ook vergaderdagen gebruikt mogen worden.
Het lijkt er daarom op dat die toegenomen vergaderdruk voornamelijk linkse partijen raakt. Fractiesecretaris Ronald van Raak van de SP: “Als er vroeger op de donderdag een actie in de thuiszorg was, dan vloog je daar op af. Nu moet je rekening houden met stemmingen en debatten. De Kameragenda verandert vaak tijdens de week. En door de dreiging van hoofdelijke stemmingen is er op de dinsdag, woensdag en donderdag veel meer kans dat je teruggefloten wordt.”

Kamerleden die werkbezoeken plannen op vergaderdagen hoeven aan de rechterkant van het politieke spectrum op een stuk minder begrip te rekenen. Dat blijkt uit gesprekken met leden van het CDA en de VVD.
Zo plant CDA-Karmerlid Pieter Omtzigt zijn werkbezoeken altijd buiten de vergaderdagen om. “Een Kamerlid is er om wetten te maken en de regering te controleren,” zegt hij. “Dus als er een debat is waar jij als woordvoerder aanwezig moet zijn, dan moet je er zijn. Bij stemmingen ook, dat is de hoofdzaak.”
Maar ook Omtzigt is er soms niet op vergaderdagen. “Ik zit bijvoorbeeld namens de Kamer in de Raad van Europa zit. De bijeenkomsten daarvan vinden vaak doordeweeks plaats.”
René Leegte van de VVD, die vrijwel altijd aanwezig is, zegt zelfs dat er naast de drie vergaderdagen nog vier dagen in de week over zijn voor werkbezoeken. En Stientje van Veldhoven (D66) plant werkbezoeken altijd op maandag, vrijdag of in het reces.
Maar ook bij een heel hoge opkomst kunnen vraagtekens gezet worden. Politicoloog Joop van den Berg: “In de Tweede Kamer kom je nergens achter. Maatschappelijke ontwikkelingen spelen zich in de maatschappij af, niet in de Tweede Kamer. De aanwezigheid in het gebouw is daarom allerminst het hoogste goed.” Daar is Marianne Thieme het mee eens. “Als je blijft meemarcheren met traditionele politiek ga je niet de revolutie krijgen die je wilt.”

Publicatiedatum:
02/09/2013