Eerlijke Media

journalist en maker Jaap Meijers

Auteur: jaap (Pagina 1 van 4)

Na een botsing kan de auto nu zelf 112 bellen

Vanaf 1 april 2018 moeten alle nieuwe auto’s zélf de alarmcentrale kunnen bellen na een botsing. Wel zo veilig, maar ook nog een beetje wennen. Ik ging voor het blad Management Team op reportage naar de alarmcentrale van Citroën in Luik, om te horen hoe mensen reageren als na een botsing hun auto tegen ze begint te praten.


Na een auto-ongeluk is de bestuurder niet altijd in staat zelf 112 te bellen. Veel nieuwe auto’s kunnen zélf de alarmcentrale bellen na een botsing. Wel zo veilig, maar ook nog een beetje wennen. “Is het een stem uit de hemel?”

Extreme gladheid zorgde op 7 januari vorig jaar voor honderden ongelukken. Eén van de getroffen bestuurders was een 47-jarige man die had besloten de sneeuwval en ijzel te trotseren om toch naar zijn werk te gaan. Op de A15 raakte zijn auto van de weg, en toen gebeurde er iets dat je niet verwacht in ons land en in deze tijd: niemand had door dat er een ongeluk was gebeurd. Ondanks ons drukke verkeer, de mobiele datanetwerken en camera’s die de wegen in de gaten houden, duurde het een paar uur voordat hij gevonden werd. Een machinist van een passerende trein zag de auto ondersteboven in de sloot liggen, maar toen was het voor de automobilist al te laat.

Om dit soort situaties te voorkomen, wil de Europese Unie dat vanaf komend voorjaar alle nieuwe auto’s worden uitgerust met eCall. Met dat systeem kunnen auto’s zélf de alarmcentrale bellen als er iets aan de hand is. Als het systeem een aanrijding detecteert, belt het direct het alarmnummer en geeft ondertussen via SMS gegevens door, zoals waar de auto zich bevindt. De bestuurder kan ook zelf een SOS-knop indrukken. De verwachting is dat eCall levens zal redden, doordat hulpdiensten sneller ter plaatse kunnen zijn.

Vanaf april komend jaar moeten alle nieuwe auto’s eCall aan boord hebben en bij een ongeval zelf 112 kunnen bellen. Verschillende autofabrikanten bieden het systeem echter al jaren aan. Volvo, BMW, Ford en Opel hebben allemaal een eigen variant. Citroën biedt al sinds 2006 eCall aan. Sommige auto’s (de luxere modellen zoals DS 5) hebben de optie standaard; bij andere modellen kost eCall 300 euro extra. De optie wordt grif afgenomen, vertelt persvoorlichter Anne Lobbes van Citroën Nederland.

Nu gaan de automatische oproepen nog niet naar 112, maar naar callcenters die autoproducenten daarvoor inhuren. Het bedrijf IMA verzorgt de alarmcentrale voor PSA Peugeot Citroën. Andere automerken werken met vergelijkbare bedrijven zoals Europe Assistance en Allianz Global Assistance. Wie de ‘meldkamer’ van IMA in het Belgische Luik binnenloopt, ziet niet zo veel bijzonders. Gewoon een rustig kantoor met mensen aan bureaus, sommigen met headsets op. Toch is dit de plek waar alle oproepen binnenkomen van auto’s van Citroën en Peugeot in de Benelux. Er werken 33 Vlamingen, Walen en Nederlanders die allemaal ten minste Nederlands en Frans spreken. Overdag zijn er steeds twee mensen om de oproepen te beantwoorden, ’s nachts is dat er één.

Het moet een vreemde ervaring zijn; je hebt net een auto-ongeluk gehad, probeert te begrijpen wat er gebeurd is, en dan hoor je ineens dat iemand via de luidsprekers van je auto tegen je begint te praten. Die stem zou van Anne Laurent kunnen zijn, ‘manager plateau’ van IMA, meewerkend chef van de telefonisten. “Sommige mensen schrikken heel erg. Het hangt ervan af of de garage ze heeft uitgelegd dat het systeem erin zit. Je hoort dat ze verbaasd zijn. ‘Is het een stem uit de hemel?’ Een paar dagen geleden had ik een paar toeristen in een huurauto in Amsterdam die riepen ‘The car is talking!’”

Tijdens de spits komen de meeste oproepen binnen. Op maandagochtend en op vrijdag is het drukker, als er veel auto’s op de weg zijn. Vrijdagnacht en zaterdagnacht zijn de drukste nachten, doordeweek is het ’s nachts rustig. Dan zijn er hooguit één of twee oproepen. Als er een oproep binnenkomt, ziet de operator op zijn of haar scherm of er een botsing was, waar de auto is geraakt, of de airbag is afgegaan, of het een automatische oproep is of dat er op de knop is gedrukt. eCall geeft ook het chassisnummer van de auto door, zodat bekend is naar wat voor kleur en type auto hulpdiensten eventueel moeten uitkijken. Met een Google Maps-kaartje is precies te zien waar de auto is. Die GPS-locatie is geen overbodige luxe, weet Anne Laurent. “Negen op de tien mensen weten helemaal niet waar ze zijn. Als je vraagt ‘waar bent u’ dan zeggen ze ‘ik zie een boom, en een huis’.”

Het eCall-systeem levert wel vaker wonderlijke situaties op, vertelt manager Henri van de Kraats. “Een auto was in de Franse Alpen uit de bocht gevlogen. Niet helemaal het ravijn in, maar hij lag toch een paar meter lager naast de weg. De auto belde ons, maar de bestuurder zei dat hij niet gewond was. Vervolgens schoot tijdens dat gesprek een andere auto óver die auto heen.” Een dubbele oproep is ook al eens voorgekomen, van een Peugeot en een Citroën die met elkaar in botsing waren gekomen. De telefonisten die de auto’s aan de telefoon hadden, zaten in de meldkamer naast elkaar.

De telefonisten van IMA krijgen een speciale training van een bedrijf dat ook mensen van de brandweer opleidt. Twee keer een halve dag, waarin aandacht wordt besteedt aan stressbestendigheid en informatie over hoe je iemand bij bewustzijn houdt. Nieuwe medewerkers doen eerst alleen de assistence-oproepen, van automobilisten die bijvoorbeeld met een lekke band staan. Dat is in Citroëns een aparte knop. Pas na een jaar mogen ze ook de headset opzetten voor de oproepen via de rode knop in de auto’s. “De eerste eCall is het engst,” zegt telefonist Samuel Lugurero, die nu al ruim zes jaar eCall-oproepen aanneemt. Als nieuwe operators dat eerste gesprek doorstaan, dan doen ze het werk vaak jarenlang. Toch kan niet iedereen tegen dit werk. Eén medewerkster raakte na een zwaar ongeval tijdens haar dienst zo getraumatiseerd, dat ze niet meer aan de slag is gegaan.

Anne Laurent en Samuel Lugurero praten er vrij nuchter over, maar desgevraagd geven ze toe dat het zwaar werk is. Lugurero: “Soms krijg je iemand aan de lijn die duidelijk pijn heeft, die je alleen hoort kreunen. Op dat moment moet je kalm blijven en de klant helpen. Daarna neem je even pauze.” De leden van het team steunen elkaar na zulke ervaringen, door te praten over wat ze meemaken. Familie en vrienden geloven niet altijd dat het heftig kan zijn. ‘Je zit toch achter een bureau? En je hoeft alleen de telefoon op te nemen!’
Wat wel helpt, is de bevrediging die het werk biedt, meent Henri van de Kraats. “Het is geen callcenter hè, het is veel meer. Het is een alarmcentrale. Je helpt mensen, dat voelt goed.”

Wat het niet per se makkelijker maakt, is dat het vanwege privacy-wetgeving niet is toegestaan om naderhand uit te zoeken hoe het is gegaan met mensen die de telefonist aan de telefoon had. De medewerkers van de centrale weten dus niet of slachtoffers het na een aanrijding gehaald hebben. Lugurero vertelt over een collega die op zijn scherm zag dat er een ongeluk was geweest, maar via de telefoon alleen een baby hoorde huilen. “De ouders reageerden niet. We weten niet hoe dat is afgelopen. Soms is dat frustrerend, je wilt eigenlijk weten of het goed is gekomen.”

Heel soms horen ze toch nog iets over een melding. “Een man die geen voorrang kreeg op een kruispunt en werd aangereden, hoorde ineens een stem en begreep niet waar die vandaan kwam. Hij besefte niet dat zijn auto het eCall-systeem had. Hij was zo blij dat we hem geholpen hadden, dat hij later opnieuw belde om ons te bedanken.”

Zulke feedback zal vaker te horen zijn naarmate meer auto’s eCall ingebouwd zullen hebben. Een vrouw vertelde op Facebook al over de aanrijding in december 2015. Ze werd, met haar zoon in de auto, aangereden door een automobiliste van 71. Volgens het Haarlems Dagblad was de automobiliste “te dronken om een verklaring af te kunnen leggen.” Het slachtoffer vond de manier waarop het ongeluk in de krant terechtkwam ergerlijk: “Ik lees niets over het wonder dat de auto waarin ik reed automatisch 112 voor mij belde.”

Niet dat een eCall-oproep altijd een ernstig ongeluk is. Een van de eerste eCall-oproepen die een nieuwe medewerker moest afhandelen, was een automobilist die wou melden dat er een paard op de snelweg liep. En soms krijgen de telefonisten mensen aan de lijn die duidelijk teveel gedronken hebben en net tegen een paaltje zijn gereden. Lugurero: “Nee, die willen niet dat we de politie bellen. En als de klant zegt ‘niet bellen’, dan bellen we niet.” Het zegt iets over hoe de wereld eruit gaat zien als alle auto’s uit zichzelf hulpdiensten kunnen alarmeren. Het is al een paar keer voorgekomen dat iemand die doorreed na een ongeluk toch opgespoord kon worden via de eCall-oproep die was gedaan. In mei werd in Noord-Ierland een dronken bestuurder opgepakt nadat zijn Ford Fiesta de politie had gealarmeerd, en twee jaar geleden werd in Florida een vrouw gearresteerd. eCall had doorgegeven dat haar airbags waren afgegaan, maar tegen de 911-operator ontkende ze iemand geraakt te hebben. Ze bekende toen de politie toch even kwam kijken, haar zwaar beschadigde auto zag mét verfresten erop in dezelfde kleur als de auto die van achteren was aangereden.

In het callcenter van IMA zet Samuel Lugurero zijn headset op omdat er een eCall-melding binnenkomt, maar doet hem bijna meteen weer af. “Het was een garage die het systeem wou testen.” Dat komt vaker voor; autoverkopers willen graag aan potentiële kopers laten zien hoe mooi het systeem werkt. Zo zijn heel veel eCall-oproepen niet écht urgent: maar liefst 89 procent is vals alarm. Het kan zijn dat een hond op de rode knop gaat staan, of dat een kind gewoon alle knoppen van de auto indrukt. Er zijn ook mensen die het systeem even willen testen, of schoonmakers die per ongeluk de knop indrukken. Meestal weten ze niet waar ze op gedrukt hebben en schrikken ze als ze ineens een stem horen.

IMA geeft alleen echte ongevallen door aan de hulpdiensten, maar er zijn situaties waarin niet direct duidelijk is wat er aan de hand is. Van de 498 oproepen die IMA in 2015 binnenkreeg van Nederlandse Citroëns, waren twintig oproepen ‘silent calls’: oproepen waarbij het stilblijft aan de andere kant. Dat is voor de telefonist een nare ervaring, maar ook een lastige keuze. Moet de stilte worden beschouwd als een vals alarm, of juist als een ernstig ongeval waarbij de bestuurder niet aanspreekbaar is? Er zijn meer twijfelgevallen, zegt Henri van de Kraats. “We kregen een keer een kleuter aan de lijn die zei ‘mijn moeder is al zo lang weg’. Best kans dat er niks aan de hand is, maar ja, je hoort ook wel dat mensen hun kind te lang in een hete auto laten zitten. Toen hebben we toch maar de politie gebeld.”

De centrale in Luik fungeert nu dus nog als filter voor de KLPD, waar het percentage vals alarm volgens Van de Kraats ook tegen de negentig procent zit. Met de snelheid waarmee het Nederlandse wagenpark wordt vernieuwd, zal het wel 15 tot 20 jaar duren voordat álle auto’s eCall aan boord hebben. Toch vraagt hij zich ernstig af of de politie zich wel realiseert wat er op ze afkomt. IMA kreeg in 2015 8.000 eCall-oproepen van Peugeots en Citroëns in de Benelux. Niet alleen die oproepen zullen vanaf april komend jaar uitkomen bij 112, maar ook die van alle andere automerken. Zeker op dagen dat het glad is zullen er honderden extra telefoontjes binnenkomen van auto’s die in kop-staart-botsingen terechtkomen of tegen een paaltje aan glijden. Zal de nationale alarmcentrale al die extra oproepen wel aankunnen? In januari 2017 raakte de landelijke meldkamer in Driebergen nog onbereikbaar door een stroomstoring in Amsterdam, waardoor vier keer meer oproepen bij 112 binnenkwamen dan normaal. Als we een woordvoerder van de nationale politie vragen hoe de meldkamer wordt voorbereidt op de eCall-oproepen, zegt hij: “Wat? Ik heb geen idee waar je het over hebt.” Een woordvoerder van het ministerie van Justitie en Veiligheid laat weten dat de politie in ieder geval geen extra maatregelen neemt. “We verwachten niet heel veel extra oproepen, in verhouding tot het totaal aantal oproepen dat de meldkamers nu al ontvangt. Extra capaciteit is dus niet nodig.” In principe zullen de hulpdiensten ook op silent calls afgaan, aldus de politie.

Alpineskiën is niet écht een sportwedstrijd

Dit is een vroege versie van het artikel dat uiteindelijk werd gepubliceerd door De Correspondent. De geweldige illustraties zijn gemaakt door Suus Hessling.


Veel van de sporten die straks te zien zijn op de Olympische Winterspelen in Pyeongchang kampen met hetzelfde probleem: ze zijn te snel. Daardoor is bijna niet meer te zien wie de beste atleten zijn.

Tijdens het Wereldkampioenschap reuzenslalom in het Oostenrijkse Lienz op 29 december vorig jaar finishte de top-drie binnen acht honderdste van een seconde. Nul komma nul acht seconde – één keer met je ogen knipperen duurt al langer.1

De ‘close finish’ in Lienz is helemaal bijzonder als je bedenkt hoe hard de alpineskiërs gaan. Vanaf vandaag kun je hen op de Olympische Winterspelen de berg af zien komen met 120 tot 155 kilometer per uur. Toch finishen ze vaak binnen enkele honderdste seconden van elkaar. Bobsleeërs halen snelheden tot 200 kilometer per uur, maar ook daar finishte de top-vijf op de vorige Winterspelen toch binnen een halve seconde (nadat ze elk opgeteld 3,5 minuut hadden geracet).

Snowboarden, bobsleeën, schaatsen, langlaufen en skiën – bij veel van de sporten die je kunt zien tijdens deze Olympische Winterspelen gaat het om hoge snelheden en hele kleine verschillen. Dat is indrukwekkend, maar het is ook een probleem. Professionele sporters zijn zó goed geworden en de verschillen tussen hun prestaties zó klein, dat je eigenlijk niet meer kunt zien wie de beste is. Lasers, computers die gesynchroniseerd zijn met atoomklokken en zelfs high-definition-fotofinishes kunnen lang niet meer altijd uitsluitsel geven over wie de medaille verdient.2

Veel sporten hebben met dat probleem te maken. De Amerikaan Stephen Jay Gould bedacht een verklaring voor hoe dat komt. Gould was behalve beroemd evolutionair bioloog een groot honkbalfan. Het viel hem op dat een van zijn wetenschappelijke theorieën over biologische evolutie ook opging voor zijn geliefde sport: als een sport volwassen wordt, neemt de variatie in prestaties aan de top af.

Tot in de jaren twintig van de vorige eeuw had je in het honkbal nog regelmatig slagmannen die over een heel seizoen meer dan 40 procent van de ballen raak sloegen. Dat komt niet meer voor. In zijn essay “Why No One Hits .400 Anymore” legt Gould uit dat niet komt doordat de sporters slechter worden, maar juist omdat de gemiddelde speler steeds beter presteert, waardoor het moeilijker is om een batting average van 0,400 te halen.3

De prestaties worden steeds beter, maar de onderlinge verschillen alsmaar kleiner. Daardoor komen buitengewone prestaties, waarbij één atleet alle anderen overvleugelt, minder vaak voor.

Goulds stelling gaat ook op voor het schaatsen, schreven drie Nederlandse econometristen vorig jaar.4 Emeritus hoogleraar Gerard Sierksma, één van de onderzoekers, ziet het bij veel meer sporten. “Op het EK en WK voetbal eindigt meer dan 30 procent van de wedstrijden met maximaal één doelpunt verschil. Dat betekent dat beslissingen en fouten van de scheidsrechter belangrijker worden voor het verloop van de wedstrijd. Wedstrijden in de Champions League zijn al bijna jurysport geworden.”5

Commentatoren zoeken betekenis in de foutmarge

De commentator van Eurosport noemde de nek-aan-nek-race bij de reuzenslalom in Lienz een ‘uniek feit’, om zich direct daarop te herinneren dat bij dezelfde wedstrijd in Sölden in 2002 drie vrouwen ex aequo eerste werden. Als je het verslag van die wereldbekerwedstrijd moet geloven, dan was een achterstand op de drie winnaressen van anderhalve seconde (op een winnende tijd van 109,9 seconden) al een behoorlijke afgang. De wereldkampioene van het jaar daarvoor, de Oostenrijkse Michaela Dorfmeister, had volgens een sportjournalist van de BBC een ‘slechte eerste run’ waarna ze ‘slechts’ twaalfde werd. De olympisch kampioene Janica Kostelic ‘also failed to perform,’ aldus de BBC omdat zij als elfde eindigde – 1,37 seconde langzamer dan de drie winnaressen. Bepaald geen zeeën van tijd, maar in de moderne sport zijn dat de marges waarbinnen de dramatische gevechten zich afspelen.

In 2015 voegde de internationale skifederatie FIS een nieuwe discipline toe aan de kalender: de parallelle reuzenslalom.6

Die wedstrijden zijn nóg flitsender dan de reuzenslaloms die op de Olympische Winterspelen te zien zullen zijn. Twee aan twee racen de skiërs binnen twintig seconden langs vijftien tot achttien poortjes om over de finishlijn te komen, met tijden die hooguit een paar honderdste seconden uit elkaar liggen. Het is een knockout-systeem: steeds gaan er twee skiërs tegelijk naar beneden, en wie als eerste beneden is mag door naar de volgende ronde.7

Maar het is ontzettend lastig te zien wie de eerste is. Je moet twee parcours tegelijk in de gaten houden, en het gaat zó gelijk op dat je echt de officiële tijdmeting moet zien om te weten wie als eerste over de streep ging. De sporters moeten zelf ook omkijken naar de grote schermen om te weten of ze gewonnen of verloren hebben.

Ondanks de praktisch gelijktijdige afdaling, deinzen de commentatoren er niet voor terug om de race te analyseren alsof het een strategisch spel is. ‘Hier zie je dat ze in het eerste deel wel heel veel tijd verliest,’ zegt een tv-commentator over een van de deelnemers tijdens het parallel slalommen in Oslo. “Ze lijkt een kleine voorsprong te hebben”, zeggen de twee commentatoren ook vaak.

Volgens experimenteel psycholoog Stefan van der Stigchel van de Universiteit Utrecht slaan zulke analyses menselijkerwijs gesproken nergens op.“Als je naar het parallel slalommen kijkt, gaan je ogen continu heen en weer. Zulke oogbewegingen kosten tijd. Je hebt minimaal 80 milliseconden nodig om van de ene naar de andere plek te gaan. Dat is heel snel, maar hiervoor niet snel genoeg. In die tijd gebeurt er gewoon heel veel.”

Een van de commentatoren zei, na alweer een afdaling die slechts met enkele honderdste was beslist: “Het verschil onderaan is bijna te klein om met het blote oog te zien”. Dat is terechte bescheidenheid, én een understatement. Er is namelijk geen enkele kans dat iemand het verschil goed kan zien, weet Van der Stigchel. “Ze finishen soms op een paar honderdsten van elkaar. Dat is niet waar te nemen. Je kijkt er ook nog eens schuin op. Alleen als de camera exact haaks op het parcours staat, kun je misschien zien wie de eerste is, net als bij een fotofinish.”8

Ook de finishfoto faalt

Maar zelfs op finishfoto’s is vaak niet meer te zien wie echt eerste was. Bij een wereldbekerwedstrijd langlaufen eind vorige maand in Oostenrijk kon op basis van de fotofinish geen winnaar worden aangewezen. Hetzelfde gebeurde aan het eind van de zevende etappe in de Tour de France afgelopen zomer. Volgens de organisatie was de Duitser Marcel Kittel 0,0003 seconde sneller dan de Noor Edvald Boasson Hagen, dus drie tienduizendste. Een verschil dat absurd klein is, en niet alleen vanwege de mate van precisie in de tijdmeting die ervoor nodig zou zijn, meent Sierksma. ‘De eindstreep die ze trekken, staat die wel recht op de rijrichting? Nee, natuurlijk niet, er is altijd wel een paar millimeter verschil. Precies het verschil dus waarmee Kittel won.’

Ilustraties: Suus Hessling

De commentatoren zien wel meer dan de gemiddelde kijker, denkt Van der Stigchel. ‘Zij kunnen de juiste bewegingen herkennen, en die interpreteren ze als een voorsprong. Zo kunnen ze beoordelen wat een goede afzet is, dus het commentaar is niet helemaal nutteloos.’ Maar ze overschatten hun eigen visuele waarneming wel. ‘Als ze zelf denken dat ze net zo goed kunnen zien als de officiële tijdwaarneming, overschatten ze zichzelf.’

Er zullen steeds vaker winnaars zijn, wier afstand tot nummer twee kleiner is dan de foutmarge van de meetsystemen

Volgens de econometristen bevinden de ‘snelle’ sporten zich in een crisis. Hoe dichter de prestaties op elkaar zitten, des te vaker zullen sporters hun plek op het podium moeten delen. Er zullen ook steeds vaker winnaars worden uitgeroepen, terwijl hun afstand tot de nummer twee niet groter is dat de foutmarge van de meetsystemen.

De selectie van sporters zal ook steeds moeilijker worden omdat er steeds meer potentiële medaillewinnaars zijn. Gerard Sierksma: ‘De 500-, 1000- en 1500-meter-wedstrijden bij het schaatsen zijn tegenwoordig eigenlijk ongeschikt om ranglijsten bij op te stellen, en om goud en zilver bij uit te reiken. Deskundigen op het gebied van tijdmeting zeggen dat de foutmarge drie duizendste seconde bedraagt De resultaten liggen daar binnen die foutmarges. Je kunt gewoon niet meer vergelijken wie winnaars zijn.”

Een van bekendste voorbeelden hiervan is de 1.500 meter van Koen Verweij tijdens de vorige Olympische Winterspelen in 2014 in Sotsji. Hij kreeg zilver omdat hij volgens de tijdmeting drieduizendste van een seconde langzamer was dan de Pool Zbigniew Bródka. Ze reden niet tegen elkaar, dus er was geen finishfoto. Sierksma: ‘Voor hetzelfde geld was het onderlinge verschil wel zes duizendste geweest. Hij had ex aequo goud moeten hebben. Straks in Pyeongchang meet de ISU de tijden ook weer in duizendsten. Als iemand weer een verschil rijdt van een paar duizendste: god weet wie gewonnen heeft.”

Objectief de beste

Ondanks de fantastisch kleine verschillen in eindtijden, maakt de Fédération Internationale de Ski (FIS) er nog wat van met een heel eigen puntensysteem, om zo elke twee jaar een wereldkampioen te kunnen uitroepen. Maar die puntentelling vertekent de cijfers enorm – zozeer zelfs, dat het alpineskiën in de literatuur een voorbeeld is geworden van hoe het niet moet. Het handboek Statistics in Psychology Using R and SPSS gebruikt de puntentelling bij het wereldkampioenschap alpineskiën als voorbeeld van foutief gebruik van meetniveaus.

In plaats van de tijden van skiërs over een heel seizoen te vergelijken en de wereldbeker te geven aan de snelste atleet, doet de FIS dat op basis van verdiende punten. De winnaar van een race krijgt 100 punten, de nummer twee 80, de derde 60, enzovoorts. Daardoor kan een skiër die gemiddeld de snelste is toch het wereldkampioenschap verliezen van iemand die vaker eerste werd.

De auteurs van het statistiekboek schrijven: ‘Het is irrelevant dat die schaalverdeling zo oneerlijk is, zolang atleten en kijkers vrijelijk instemmen met zulke autoritaire regels omwille van het amusement. Wetenschappelijk onderzoek vraagt echter om eerlijkheid en objectiviteit.’ Als je ook objectief zou willen vaststellen wie de beste sporter is, dan zou je meerdere metingen moeten doen, zegt statisticus Casper Albers van de Rijksuniversiteit Groningen. ‘De wetenschappelijke benadering zou zijn om te zeggen ‘Nummers één tot en met vijf waren ongeveer even snel. We moeten iedereen nog minstens tien keer van die berg af laten racen om te weten of de nummer één ook significant beter is dan de nummer twee’. Maar dat levert natuurlijk geen interessante sportbeelden op.”

Opmerkelijke resultaten

Bij de parallelle reuzenslalom zorgt het knockout-systeem voor nog meer opmerkelijke resultaten.9 Tijdens de parallelle reuzenslalom voor mannen, 17 en 18 december vorig jaar in Alta Badia in Italië, werd de Zwitser Justin Murisier zevende met een tijd van 19,31 seconden.10 Dat was sneller dan de winnaar van de wedstrijd én de drie skiërs die boven hem eindigden. De nummers drie en vier waren allebei bijna een halve seconde eerder over de streep dan de nummers één en twee. Toch krijgt Murisier maar 36 punten voor het wereldkampioenschap, tegen 50, 60, 80 en 100 voor de nummers vier tot en met één.

Is degene die wint dan nog wel beter dan de andere deelnemers? Als de resultaten zó dicht bij elkaar liggen, dan is het toeval mogelijk belangrijker dan wie het beste kan presteren, legt Albers uit. ‘Toeval is in wezen onderdeel van de sport. Als je in een voetbalwedstrijd een minuut voor tijd een penalty mag nemen en je schiet raak, heb je gewonnen. Een goede speler zal zo’n strafschop misschien drie van de vier keer erin schieten en een slechte één keer. Maar pas als teams of sporters het vaker tegen elkaar opnemen en de ene net wat vaker wint dan die andere, kun je concluderen dat het ene team dan wel beter zal zijn. Anders kan het toeval zijn. Zeker als de verschillen tussen spelers heel klein zijn, gaat toeval het spel domineren.”11

Hoe komt het dan dat we toch denken te kijken naar een wedstrijd die uitmaakt wie de beste sporter is? Wat niet helpt, is dat het lastig is te begrijpen hoe weinig een honderdste of duizendste van een seconde is. Mensen hebben niet door hoe klein die verschillen zijn, en juist daarom nemen ze de verschillen zo serieus.

De verschillen zijn beter voor te stellen als we de race vertalen naar een denkbeeldige wedstrijd die veel langer duurt. Als de reuzenslalom voor dames in Lienz niet (in totaal) twee minuten maar 3,5 uur zou duren, waarbij de atlete geen 44 maar ruim vierduizend poortjes voorbij skiet, zouden de finalisten nog steeds binnen 8 seconden van elkaar eindigen.

En die cijfers achter de komma wekken de indruk dat het allemaal erg exact is. Dat is een denkfout die ‘precision bias’ of ‘valse precisie’ heet. Mensen hebben veel vertrouwen in cijfers die met meer precisie worden gepresenteerd dan gerechtvaardigd is.12 Albers: ‘Deze sporten zijn daar een goed voorbeeld van. Als tijden worden genoteerd met vier cijfers achter de komma, denken we ‘wat weten wij dat goed’. Maar die precisie heeft niks meer met de prestatie van de sporters te maken.’

Wie rekening houdt met meetfouten en de invloed van toeval kan na sommige wedstrijden niet meer met statistische zekerheid zeggen wie de beste sporter is. Misschien gaan de Olympische Winterspelen daar ook vooral om: niet objectief de beste sporters aanwijzen, maar gewoon spannende wedstrijden laten zien en knappe prestaties, volgens de regels van het spel.

 


 

Wel in de Tweede Kamer, geen zin in vergaderen

Datajournalistiek is erg leuk om te doen. Een paar jaar geleden onderzocht ik samen met collega Daan Marselis hoe vaak TweedeKamerleden aanwezig zijn. Dit keer haalde ik voor dagblad Trouw 9 maanden aan Kamerstukken binnen, om de aanwezigheid van Thierry Baudet en Theo Hiddema te analyseren. Baudet blijkt vaker in het gebouw van de Tweede Kamer te zijn dan gedacht, maar tijdens vergaderingen blijft hij in zijn kantoortje zitten.


Thierry Baudet en zijn collega Theo Hiddema van Forum voor Democratie krijgen vaak het verwijt dat zij afwezig zijn bij vergaderingen in de Tweede Kamer. Terecht, zo blijkt uit cijfers
van het parlement. Baudet is wel vaak in het Kamergebouw, maar niet in de vergaderzaal.

“Waar zijn al die Kamerleden die de hele dag roepen dat #FVD nooit in de Kamer is. Ik zie 140 lege zetels, waar is iedereen?” Dat vroeg Theo Hiddema, Kamerlid voor Forum voor Democratie (FvD), op Twitter, op 20 december om half twaalf ’s avonds. Hij was in de Tweede Kamer voor een debat over verlenging van de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS. Ook tijdens de vergadering zelf vroeg Hiddema aandacht voor het feit dat hij aanwezig was, met name van de D66-fractie. Dit omdat die fractie kritiek had geuit op zijn vaak afwezig-zijn bij debatten. “Ze kunnen namelijk heel slecht tellen daar.”

Politici en anderen wezen Hiddema er al snel op dat portefeuilles nou eenmaal verdeeld worden, en dat de meeste debatten gevoerd worden door de woordvoerders op dat onderwerp. Twaalf buitenlandspecialisten van andere partijen waren dan ook bij het late debat aanwezig, en niet hun collega’s die over andere onderwerpen gaan. Een medewerker van een VVD-parlementariër twitterde dat het bewuste misleiding was van Hiddema, óf domheid: “Hiddema is zo weinig in de kamer dat hij bovenstaande niet weet”.

De Tweede Kamer registreert de aanwezigheid van Kamerleden, om vast te stellen of het quorum is gehaald, dus of er voldoende Kamerleden in huis zijn om te kunnen stemmen. Door de Handelingen van de plenaire vergaderingen te turven, is te zien op welke dagen elk Kamerlid aanwezig was. Daaruit blijkt dat de meeste Kamerleden vaak aanwezig zijn. Gemiddeld miste een Kamerlid sinds eind maart vier plenaire vergaderingen (de Kamerleden die tot 26 oktober in het demissionaire Kabinet zaten en nieuwe Kamerleden niet meegerekend). Er zijn wel een paar parlementariërs die opvallend vaak afwezig waren. Karen Gerbrands van de PVV bijvoorbeeld: zij combineert haar Kamerlidmaatschap met een fractievoorzitterschap in de Haagse gemeenteraad. Haar partijgenoot Barry Madlener was op 32 van de 83 vergaderdagen niet in de Tweede Kamer. Hij is daarmee het minst aanwezig van alle Kamerleden.

Het Kamerlid dat daarna het vaakst afwezig was (afgezien van een Kamerlid met gezondheidsproblemen) was Theo Hiddema. Hij was afwezig op 19 vergaderdagen.

De fractievoorzitter van Forum voor Democratie, Thierry Baudet, is er juist heel vaak, in weerwil van wat collega’s en journalisten waarnemen. Baudet was aanwezig op 74 van de 83 vergaderdagen van de Tweede Kamer sinds zijn beëdiging als Kamerlid. Tenminste, dat is wat er in de Handelingen staat. Als een Kamerlid zich aanmeldt als hij het Kamergebouw inloopt, dan telt hij als aanwezig, ook als hij die dag helemaal niet in de vergaderzaal komt. Maar als Baudet er zo vaak wel is, blijft hij dan op zijn kamer zitten als de plenaire vergadering begint? Of is hij dan alweer vertrokken? Of doet Forum voor Democratie heel vaak mee aan debatten, en kunnen collega-Kamerleden inderdaad niet tellen?

Eén manier om erachter te komen, is kijken naar de sprekerslijsten. Bij plenaire debatten vraagt iedere fractie vooraf spreektijd aan, en wie namens de fractie het woord zal voeren staat op een sprekerslijst. Op de site van de Tweede Kamer staan 268 sprekerslijsten, één voor elk onderwerp dat tijdens een plenair debat werd besproken.

Infographic: het Nijmeegse ontwerpbureau Louman & Friso.

De VVD en de andere grote fracties staan op haast alle sprekerslijsten; zij hebben nu eenmaal meer mensen die bij debatten kunnen zijn. Toch doen ook kleinere fracties hun best om zo veel mogelijk hun stem te laten horen. 50PLUS (4 leden), Denk (3 leden) en de SGP (3 leden) komen voor op respectievelijk 87, 81 en 90 sprekerslijsten. De twee leden van Forum voor Democratie vroegen een stuk minder vaak spreektijd aan: 33 keer.

Ook aan het stellen van schriftelijke vragen aan bewindspersonen doet FvD niet heel actief mee. In de zittingsperiode van deze Tweede Kamer werden tot nu toe 1.646 schriftelijke vragen aan de regering gesteld. Thierry Baudet stelde zes keer een vraag, Hiddema nul keer. De andere kleine fracties doen dat vaker: de SGP stelde 52 vragen, 50PLUS 15 en DENK 33.

Theo Hiddema laat zich in de Tweede Kamer zelden zien. Baudet is met 26 debatten een van de fractievoorzitters die het vaakst zelf het woord voeren (Tunahan Kuzu van DENK deed dat 37 keer en Kees van der Staaij van de SGP 31 keer). Theo Hiddema beperkte zich in de afgelopen negen maanden tot deelname aan zeven debatten; over discriminatie, terrorismebestrijding, criminele asielzoekers, de begroting van Justitie en Veiligheid, en het genoemde debat over de strijd tegen Islamitische Staat.

Ondanks zijn schampere tweets lijkt Hiddema zich het commentaar op de afwezigheid van FvD wel aan te trekken. Hij was aanwezig op de laatste 18 vergaderdagen van 2017; niet eerder was hij zo vaak achter elkaar aanwezig. Voor zijn beëdiging zei Hiddema al tegen het Algemeen Dagblad dat hij zou blijven werken als strafpleiter: “Ik heb die dynamiek nodig”.

Er is wel iets voor te zeggen om niet bij elk debat en elk Algemeen Overleg te zijn. Politici, zeker van jonge en kleine partijen, moeten immers ook het land in, om zich te informeren en zich te laten zien. Baudet zal ook zijn tijd en kantoor in de Tweede Kamer gebruiken om zijn jonge partij op te zetten. Het Kamerwerk bestaat uit het controleren van de regering en zelf voorstellen doen, maar het lijkt erop dat Forum voor Democratie dat niet als hoogte prioriteit heeft.

Interview: Kevin Kelly

Voor populair-wetenschappelijk tijdschrift KIJK interviewde ik Kevin Kelly, een van de oprichters van Wired magazine en technologie-visionair.

“De grootste technologie van over 25 jaar bestaat nu nog niet”

Kunstmatige intelligentie is al zo slim, dat wij mensen de computer eigenlijk niet meer kunnen volgen. Nieuwe technologie ontwikkelt zich in zo’n razend tempo dat we amper de tijd krijgen om eraan te wennen. Gelukkig laat futuroloog Kevin Kelly zien waar het allemaal heen gaat.

Hij wordt wel een ‘digitale profeet’ genoemd, en dat past wel bij zijn ringbaardje en bedachtzame manier van praten. Zeker is dat Kevin Kelly op veel mensen indruk maakt met zijn beschrijvingen van technologieën en hoe de toekomst eruit zal gaan zien. De invloedrijk denker en veelgevraagd spreker geeft al bijna dertig jaar mede vorm aan de digitale cultuur. Al in de jaren tachtig schreef hij voor computerbladen, was hij betrokken bij de eerste conferenties voor programmeurs en bij The Well, een van de allereerste online communities. In 1993 was hij een van de oprichters van het beroemde tech-tijdschrift Wired.

Vorig jaar verscheen The Inevitable, Kelly’s nieuwste boek. In de bestseller beschrijft hij twaalf technologische trends die onze toekomst zullen bepalen. Kelly twijfelt er niet aan dat het onvermijdelijk is dat ieders leven compleet zal veranderen door ontwikkelingen als kunstmatige intelligentie, systemen die iedereen continu in de gaten houden en materialen die elk oppervlak in een scherm veranderen. Hoewel onvermijdelijk, meent Kevin Kelly dat wij allemaal zullen bepalen hoe die technologieën eruit zullen gaan zien en dat het daarom belangrijk is dat we ze zo snel mogelijk begrijpen en omarmen.

Kelly was heel even in Nederland als belangrijkste spreker tijdens STRP Biënnale, het festival voor creatieve technologie in Eindhoven. Een mooie kans voor KIJK om hem te spreken over controversiële technologie, hypes en de toekomst.

U bent altijd zo optimistisch over de toekomst, terwijl er zo veel dingen zijn om je zorgen over te maken. Hoe komt dat?
“Ik ben optimistisch vanwege het verleden. Als je naar wetenschappelijke data kijkt, dan is het overduidelijk dat gemiddeld genomen alles beter is geworden. Mondiaal gaat het elk jaar een klein beetje beter. Als je het nieuws kijkt, zie je dat niet. Daar zie je alleen de uitzonderingen. Die ruis overstemt het goede nieuws. Als mensen 49 procent van de wereld vernietigen, dan is dat de kop in de krant. Toch is dat prima zolang er één procent meer wordt opgebouwd. Daarbij worden alle goede dingen gemaakt door optimisten. Je moet immers wel optimist zijn om een uitvinding succes te laten hebben.”

Toch wijst u ook op de minder leuke kanten van nieuwe technologie, zoals aantasting van privacy. Moeten we alle nieuwe technologie wel zonder meer omarmen?
“Ik preek het omarmen van nieuwe technologie, omdat dat de manier is waarop we de ontwikkelingen kunnen sturen. Het is ook de enige manier om te ontdekken wat de echte problemen zijn in plaats van de gevaren die mensen zich inbeelden. Artificiële intelligentie en virtual reality zijn de problemen van morgen. De oplossing voor die problemen is niet mínder, maar juist meer en betere technologie. Vooruitgang komt door nieuwe problemen hebben. Het is een cyclus, een steeds verder uitbreidende cirkel. Voor mij betekent dat een toename in mogelijkheden. Dat is wat vooruitgang is. In de toekomst zullen we niet minder, maar méér problemen hebben. Maar daardoor hebben we ook meer mogelijkheden om uit te kiezen.”

Is verzet tegen problematische kanten van technologie dan zinloos? Als je bij pen en papier wil blijven omdat dat veiliger is, vecht je dan tegen het onvermijdelijke?
Mensen die denken dat digitaal stemmen nu veilig kan, hebben het mis. Het is nog te vroeg. Er is eerst een fool-proof systeem nodig om je digitaal te identificeren. Ik kan me voorstellen dat er systemen komen waarbij je biometrische gegevens je wachtwoord zijn. Maar daarvoor is eerst een generatie nodig van mensen die biometrie compleet vertrouwen. Het Chinese webbedrijf Baidu is al overgestapt op betalen door gezichtsherkenning. Daar zullen we aan gewend raken, net zoals gewoon door de paspoortcontrole lopen zonder je paspoort te laten zien. Biometrie kun je faken, maar tien biometrische checks tegelijk vervalsen is praktisch onmogelijk. AI zal je net zo goed kunnen herkennen als mensen dat doen, op de manier waarop je loopt bijvoorbeeld. Samen met andere vormen van encryptie zou dat elektronisch stemmen misschien veilig kunnen maken. Totdat we dat hebben, is het potlood beter.

Tesla-oprichter Elon Musk wil chips in ons brein implanteren, zodat we kunstmatige intelligentie kunnen bijbenen. Is dat soort interactie tussen mens en machine onvermijdelijk?
“Hersenimplantaten zijn onvermijdelijk, maar niet binnen twintig of dertig jaar. De kosten en de complexiteit maken dat het gebruik zich veel trager dan dat zal ontwikkelen. Medische toepassingen ontwikkelen zich veel langzamer dan techniek op zich. We weten nog maar zo weinig over onze hersenen. Hersenonderzoek kun je maar heel moeilijk sneller laten gaan. Het duurt gewoon lang voordat je langetermijneffecten kunt onderzoeken. En het gaat toch om invasieve chirurgie. De meeste mensen die zich nu zorgen maken over die ontwikkelingen, zullen het niet meer in hun leven zien gebeuren. We moeten er rekening mee houden dat de grootste technologie van over 25 jaar nu nog niet gecreëerd is. Wat ik er dan van vind dat bedrijfjes daar nu toch mee bezig gaat? Fantastisch, steek er vooral geld in. Maar verwacht er geen resultaten van binnen één generatie.”

Moeten we sowieso geduldiger zijn met nieuwe technieken? 3D-printen heeft ook nog niet geleid tot de verwachte maak-revolutie die wel werd verwacht.
“3D-printen was vreselijk overhyped. Ik geloofde het al nooit. Hetzelfde geldt voor nanotechnologie. Nanodeeltjes kunnen zichzelf organiseren tot geweldige dingen, maar het is altijd goedkoper om iets in bulk te maken. Waarom mensen dan toch vielen voor de 3D-print-revolutie? Ze stelden zich voor hoe álles helemaal zou veranderen. De waarheid is dat 3D-printen alleen sommige dingen helemaal verandert. 3D-printers moesten gebruikt worden om daar achter te komen, om te ontdekken wat hun plek is in het ecosysteem.”

Uw werk wordt bewonderd door velen, maar er is ook kritiek. Sommigen zeggen dat u in uw boeken concepten uit de biologie en natuurkunde te losjes toepast.
“Ik praat over trends die nu aan het beginnen zijn en die zeker onze toekomst zullen bepalen. Soms gebruik ik termen uit de biologie als metaforen. Er komen kunstmatige systemen aan die levend zullen zijn. Niet alle technologie zal leven, maar alle technologie zal meer life-like zijn en convergeren. Ja, je kunt me bekritiseren omdat wat ik zeg nu niet universeel toepasbaar is, maar we gaan absoluut daarheen. Ik blijf erbij dat dat de richting is. Wat ik een mooie beeldspraak vind, is een vallei waar een flinke regenbui in valt. Waar elke afzonderlijke regendruppel heengaat, is onvoorspelbaar, maar de richting is zeker neerwaarts. En dat is wat me interesseert. Grote systemen hebben van zichzelf een bepaalde richting, net zoals de nerf in hout. Zo zijn ze gemaakt door de natuur. Ze hebben allemaal te maken met scheikundige en natuurkundige eigenschappen die ze een bepaalde richting geven. Auto’s hebben wielen nodig en mensen en dieren poten om op te lopen. Dat is onvermijdelijk want ze hebben te maken met zwaartekracht. Dat maakt sommige ontwikkelingen onvermijdelijk.

Een paar globale trends voor de komende dertig jaar voorspellen is wel vrij gemakkelijk. Lijken trendwatchers en futurologen niet wat veel op waarzeggers?
“Ik doe niet zo veel voorspellingen, en ik probeer geen jaartallen te noemen wanneer iets zal gebeuren. Ik kan de toekomst niet voorspellen, nee, maar ik kan het wel hebben over dingen die eraan gaan komen. Wat je werkelijk moet proberen, is te voorspellen wat er nu gebeurt. Ik ben geen futurist, maar een presentist. Nadenken over wat eraan komt, is een manier – een stijlfiguur – om beter te begrijpen wat er nu gebeurt. Ik doe mijn best om alleen over trends en de richting van ontwikkelingen te praten, dus niet over of de iPhone er over een paar jaar nog is of welke kleur hij dan heeft. Dat soort details zijn te grillig om vanuit het heden te extrapoleren. Zolang je trendwatchers niet al te veel gelooft en ook andere bronnen raadpleegt, dan zijn ook zij best nuttig. Ook wat zij zeggen over de toekomst is bruikbaar om het heden te begrijpen. Maar ik zou er niet veel geld aan uitgeven om het te horen!”

Over welke technologie of ontwikkeling bent u persoonlijk het meest enthousiast?
Kunstmatige intelligentie is een hype, maar ik denk dat het nog steeds underhyped is. AI gaat de wetenschap en het bedrijfsleven radicaal veranderen. Niet in de komende vijf of tien jaar – we bevinden ons nu nog in het beginstadium. Maar het is een innovatie die minstens zo groot is als de drukpers, het vuur of het internet. Ik vind het moeilijk om iets te bedenken dat niet beïnvloed zal worden door AI.
Iets dat ik geweldig vind en thuis gebruik, zijn Amazon Echo en Alexa, de conversational bots. Die zijn heel cool. Er zijn nog veel problemen en uitdagingen mee, maar dat wordt een enorm grote markt. Je kunt gewoon een conversatie hebben met het apparaat. Dat zal heel belangrijk gaan worden voor ons leven en voor hoe bedrijven werken.

Je komt op internet steeds meer absurde ‘slimme’ apparaten tegen, zoals wc’s met wifi. Vindt u zulke uitvindingen idioot of zijn het allemaal stapjes in onze technologische evolutie?
Er zijn zeker dingen die slim zijn maar niet slim genoeg. Die zijn net slim genoeg om dom, gevaarlijk of onpraktisch te zijn. Er is een hele stapel boeken vol met vreemde Japanse uitvindingen die mensen echt niet nodig hebben, zoals paraplu-hoeden. Ze zijn mal omdat het meer moeite kost om ze te gebruiken dan dat je er wat aan hebt. Niet elk idee is nuttig. Dit zijn uitprobeersels. Ze zijn de manier waarop we leren. Ik juich dat toe. Ik vraag me wel af of de makers goede ondernemers zijn, maar wie weet. Ik denk eigenlijk wel dat connected toiletten een goed idee zijn. Die zouden de medische sensor in je huishouden kunnen worden. Je ontlasting bevat waardevolle indicatoren voor je gezondheid. Als het toilet met het internet verbonden is, zou dat heel nuttig kunnen zijn. Ik zou daar niet om lachen. Het is misschien nog te vroeg, maar niet belachelijk.

[biografische weetjes]

Kevin Kelly (Pennsylvania, 1952) was mede-oprichter en eerste hoofdredacteur van het toonaangevende Amerikaanse tech-tijdschrift Wired. Hij schrijft nog steeds voor het blad.

Steven Spielberg vroeg Kelly als adviseur voor zijn film Minority Report. De futuroloog moest helpen een beeld te schetsen van het jaar 2050.

Behalve schrijver is Kevin Kelly fotograaf en natuurbeschermer. Hij bracht verschillende fotoboeken uit en werkt nu aan een boek over verdwijnende tradities in Azië.

Tijdens een van zijn vele reizen, in 1979 in Jerusalem, had Kelly een bekeringservaring en werd hij een wedergeboren (born again) christen.

Kelly probeert zoveel mogelijk nieuwe dingen uit, maar is zeker geen gadget-freak. Hij heeft niet eens een tv in huis.

Kevin Kelly wordt 65 dit jaar. Op zijn bureau staat een klok die aftelt hoeveel dagen hij nog heeft. “Statistisch gezien nog zesduizend dagen.”

Kevin Kelly’s eigen website: http://kk.org/

 

Bouw zelf een supersnelle diascanner

Met een complete diacollectie inscannen ben je al gauw een paar weekenden kwijt. Veel mensen nemen zich voor om dat eens te doen, maar niemand heeft zin om uren te gaan zitten klooien met zo’n kleine diascanner, en dus blijven de vele dozen dia’s gewoon ongeopend en ongezien op zolder.

Dat moet beter kunnen dacht ik, dus maakte ik een van een oude diaprojector en een Raspberry Pi met camera-module een automatische diascanner. Helemaal perfect werkt hij nog niet, maar een collectie 2.000 dia’s zou je binnen anderhalf uur gedigitaliseerd kunnen hebben in plaats van dat je er vijftig uur voor moet gaan zitten.

Voor computerblad PCM schreef ik een uitgebreide handleiding mét foto’s.

Wat je moet weten over blockchain


Dit stuk werd eerder gepubliceerd in het magazine Management Team en op mt.nl.

Blockchain is, na internet of things, cloud computing en big data het nieuwste buzzword – iedereen heeft het erover. Het is echter behoorlijk ingewikkelde technologie, die lang niet iedereen helemaal begrijpt. Wat blijft er over van de hype als je er eens heel goed naar kijkt?

Blockchain is in 2009 ontstaan als het systeem waarop het elektronische betaalmiddel Bitcoin draait. Het is een database waarvan heel veel mensen een kopie op hun computer hebben staan. Die database is een grootboek, dus een overzicht van alle transacties. Dat kunnen geldtransacties zijn, maar ook heel andere informatie kan opgeslagen worden in het gezamenlijke grootboek, zoals bijvoorbeeld patiëntendossiers.

Dat vertrouwen is te danken aan een paar cruciale blockchain-principes. Om te beginnen is de blockchain openbaar. Iedereen kan het hele grootboek downloaden en inzien. Alle informatie wordt de-centraal opgeslagen, dus niet op de servers van een bank of een andere instelling die je maar moet vertrouwen.
Het vertrouwen komt verder van het netwerk. Computers in het blockchain-netwerk zorgen dat transacties correct in een blok terecht komen en dat nieuwe blokken zich over het hele netwerk van duizenden computers verspreiden. De computers controleren samen of alle informatie klopt, en dat iedereen steeds dezelfde informatie heeft. De consensus daarover tussen de nodes in het netwerk waarborgt de integriteit van het hele grootboek, en voorkomt dat een bitcoin kan worden ge-copy-paste en twee keer kan worden uitgegeven (het is immers een digitaal betaalmiddel).

Het derde principe dat vertrouwen oplevert, is dat niemand informatie kan aanpassen of schrappen. Niemand is eigenaar van de database, dus er is ook niemand die in zijn eentje kan besluiten dat er iets weg moet. Als een blok met data eenmaal in de blockchain zit, dan blijft het er voor altijd in zitten, onlosmakelijk verbonden met het voorgaande blok in de keten. Geen gerommel achteraf dus. Daardoor weet iedereen zeker dat alles wat in de blockchain zit correct is en blijft.
De waarde van de blockchain zit hem in deze principes. Blockchain gaat dus niet zozeer over financiën of informatie op zich, als wel over het bewerkstelligen van een gedeelde digitale waarheid waar je op kunt vertrouwen. Geld en informatie kunnen door mensen onderling uitgewisseld worden zonder dat er een vertrouwde derde partij nodig is. Het nodige vertrouwen wordt niet meer ontleend aan de autoriteit die het systeem beheert, maar ligt besloten in het systeem zelf.

Toepassingen

De grote vraag is vervolgens waar je blockchain allemaal voor kunt gebruiken, naast het uitwisselen van cryptografisch geld. De verwachtingen zijn erg hooggespannen – en spreken elkaar soms zelfs tegen. Sommige enthousiastelingen verwachten bijvoorbeeld dat blockchain zal zorgen voor een flinke groei van de wereldeconomie, terwijl anderen juist denken dat blockchain een eind zal maken aan het huidige kapitalistisch systeem. De blockchain wordt soms zelfs de belangrijkste ontwikkeling sinds het ontstaan van het internet genoemd. Dat een ingewikkelde technologie toch veel enthousiasme weet op te wekken, komt door het revolutionaire karakter van blockchain. Een technologie die zo slim en vernieuwend is, daar moeten haast wel fantastische dingen mee kunnen.

Interessante toepassingen zijn te bedenken voor het beheer van productieketens. Het Britse bedrijf Provenance heeft zoiets net uitgeprobeerd. In een pilot-project werd in een blockchain in elk stadium informatie opgeslagen over vis; van de vangst (via SMS’jes van vissers) naar verpakking en transport tot aan de consument (QR-codes op de blikjes), om zo de transparantie en duurzaamheid van de visserij zou kunnen verbeteren. IBM is blockchain-platforms begonnen voor internet of things-toepassingen en voor supply chain management. De eerste cliënt is Everledger, een bedrijf dat de productieketen van diamanten inzichtelijk maakt voor kopers.

Het Rotterdams havenbedrijf werkt samen met ABN Amro aan een experiment om scheepsladingen die de haven binnenkomen te registreren via een blockchain. De Brits-Amerikaanse expediteur Marine Transport International heeft ook al een blockchain opgezet voor gebruik in het internationale transport. Volgens de CEO van MTI, Jody Cleworth, past blockchain zo goed bij het transport vanwege de complexe dataverzamelingen die ontstaan tussen de vele betrokkenen langs de supply chain: havens, verladers, ontvangers, vervoerders en controlerende instanties willen allemaal informatie over de lading opslaan en inzien.

De energiesector zou mogelijk ook baat kunnen hebben bij blockchain. Gas en elektra werden altijd centraal uitgeleverd en afgerekend, maar dat is flink aan het veranderen. Particulieren en bedrijven nemen energie af, maar kunnen met zonnepanelen ook weer energie terugleveren. In New York is al een project gestart, TransActive Grid, waarbij buren de energie die ze opwekken onderling met elkaar afrekenen via de blockchain, dus zonder tussenkomt van een netbeheerder.

Een beroepsgroep die zich wel een beetje zorgen maakt, is het notariaat. Sommige blockchain-voorstanders denken dat het notariaat helemaal overbodig zal worden doordat er na de blockchain-revolutie geen beëdigde notaris nodig is om overeenkomsten te formaliseren. Voor landen zonder betrouwbare kadasters zou dat een uitkomst zijn; de gedistribueerde databases zouden een goedkope en betrouwbare manier kunnen zijn om openbaar eigendomsgegevens bij te houden.

De meeste opwinding over blockchain heerst echter in de financiële sector. Bedrijven die iets doen met financiële technologie, of fintech, denken razend slimme, winstgevende toepassingen te kunnen bedenken die werken op de bitcoin-blockchain of met een eigen blockchain. De bank Santander zegt dat de bancaire sector met blockchains tot wel twintig miljard dollar zou kunnen besparen. In Amerika hebben 25 banken zich verenigd in een blockchain-startup, R3 CEV.

In Nederland is er ook veel blockchain-enthousiasme. Er zijn al drie bitcoin-congressen georganiseerd en aankomende februari wordt in Groningen de eerste Blockchain Hackathon georganiseerd. Onder de aanwezigen zijn in ieder geval ING, Exact, provincies, gemeentes, de Kamer van Koophandel, Deloitte, Microsoft en DNB. De Nederlandse Bank liet tijdens het blockchaincongres in juni weten dat hij in de kelder een netwerkje met pc’s heeft opgezet om met cryptocurrencies te experimenteren.

Gezien de herkomst van de technologie is het niet zo vreemd dat de financiële sector zo’n grote interesse heeft in blockchain. Tegelijk is het ironisch dat juist de financiële instellingen het hardst rennen om de ontwikkelingen bij te houden, aangezien blockchain en bitcoin juist bedacht zijn om banken overbodig te maken. Critici in de blockchain-gemeenschap zeggen dat het onzin is dat banken zich zo storten op blockchain. Banken hébben geen probleem waar blockchain de oplossing voor is, zij zijn het probleem waar blockchain de oplossing voor is. Als er iets is dat banken immers niet willen, is een systeem waar ze geen zeggenschap over hebben. Het gevolg is dat er wonderlijke tussenvormen worden bedacht waardoor de financiële sector toch mee kan doen met de hype. Toepassingen bijvoorbeeld die een beetje blockchain zijn, maar niet helemaal. Organisatieadviesbureau Accenture vroeg onlangs een patent aan op een blockchain die wél achteraf aanpasbaar is door een centrale beheerder. Veel mensen reageerden daar online wat lacherig op. De meestgelezen sarcastische opmerking was: “Een blockchain die je kunt bewerken… is dat niet gewoon een spreadsheet?”

Hindernissen

Toch hebben niet alle bedrijven in de fintech zich geestdriftig op blockchain gestort. Kees Haverkamp is directeur van Newest Industry, een bedrijf dat werkt aan online fintech-oplossingen. Newest Industry is op het moment bezig met het opzetten van een online marktplaats waar MKB’ers zich kunnen laten financieren door hun equity liquide te maken. “Dat is lastig in het huidige financiële systeem. Met onze marktplaats moeten ondernemers dat systeem kunnen omzeilen. Het sluit dus naadloos aan bij de gedachte achter blockchain.” Desondanks gebruikt het bedrijf geen blockchain voor het project. “Met de huidige stand van de techniek is het praktischer om gewoon een applicatie te bouwen met bestaande technieken. We hebben wel flink met blockchain geëxperimenteerd, maar de meeste toepassingen die mensen voor zich zien, zijn allemaal ook zeer goed realiseerbaar met meer gangbare technieken zoals relationele databases.”

Wie kritisch kijkt, ziet inderdaad nog maar weinig échte toepassingen. Bitcoin is voorlopig de enige toepassing die het prototype-stadium voorbij is. Skeptici houden blockchain nog steeds voor een oplossing die op zoek is naar een geschikt probleem. Zij wijzen op de hindernissen die een praktische toepassing van het briljante concept in de weg staan. De belangrijkste hindernis is de omvang van de blockchain. De twee belangrijkste blockchains, Bitcoin en Ethereum, groeien namelijk als kool. Naarmate ze populairder worden, stijgt het aantal transacties dat moet worden bijgeschreven snel. De omvang van de bitcoin-blockchain verdubbelt tot nu toe grofweg elk jaar. Drie jaar geleden was het hele bestand nog 10 gigabyte groot; wie de blockchain nu wil downloaden, heeft ten minste 85 gigabyte vrije schijfruimte nodig. En over een maand 3,5 Gb méér, want dat is hoe snel de hele database groeit dankzij de 200.000 transacties die gemiddeld per dag worden toegevoegd. Daardoor is trouwens behalve een flinke harde schijf ook een serieuze internetverbinding een vereiste. Het verkeer met de andere knooppunten in het netwerk kost zo’n 400 gigabyte of meer per maand.

Lykle de Vries, ‘social enterprise whisperer and bitcoin evangelist’, erkent dat de omvang van de blockchain een probleem begint te worden. “Een full node zou je niet op je smartphone kunnen draaien, maar een wallet om iets mee te betalen kan gelukkig wel.” Zulke bitcoin-portemonnees zijn lichtgewicht applicaties die op een vereenvoudigde manier transacties kunnen doen. Ze vertrouwen daarvoor op de betrouwbaarheid van het netwerk. “Ik denk dat we uiteindelijk wel toe zullen gaan naar verschillende soorten transacties met verschillende mate van betrouwbaarheid. Nu moet je nog tien minuten wachten op zekerheid dat je transactie is opgenomen in het blok. In veel gevallen is dat geen probleem, maar als je een kopje koffie wil afrekenen is het niet praktisch.”

De omvang van de blockchain vormt op die manier nog een ander gevaar voor blockchain. Als de meeste nieuwe gebruikers ervoor kiezen alleen een lightweight client te installeren, kunnen ze wel transacties in de blockchain zetten, maar doen ze zelf niet mee aan het controleren en bijwerken van het grootboek. Als heel veel gebruikers dat overlaten aan een kleinere groep super-gebruikers, krijgen die meer macht. De decentrale database is dan ineens niet zo decentraal meer, terwijl dat toch de belangrijkste garantie is voor de betrouwbaarheid.

Nog een probleem dat een groter groeien van blockchain in de weg staat, is dat nieuwe blokken met informatie die aan de blockchain toegevoegd worden, niet groter mogen zijn dan 1 MB. Die limiet is in 2010 ingesteld om spam en aanvallen van hackers tegen te gaan. Dat betekent dat er een maximum aantal transacties per blok opgeslagen kunnen worden in de blockchain, wat ook weer zorgt voor een maximum van zeven transacties van per seconde. Steeds meer transacties moeten daardoor langer wachten op bevestiging, waardoor het systeem als geheel flink trager wordt. Als bitcoin wil uitgroeien tot serieus betaalmiddel, dan zal het de snelheid moeten benaderen van Visa en Paypal. Die bedrijven kunnen duizenden transacties per seconde verwerken.

Over de vraag of de block-grootte dan maar weer verhoogd moet worden, woedt al twee jaar een stammenstrijd die de blockchain-gemeenschap zo splijt dat het wel ‘Bitcoins constitutionele crisis’ wordt genoemd. Inmiddels wordt er hard gewerkt aan nieuwe technieken die de impasse zouden kunnen doorbreken.

Opportunisme

Met al die fundamentele problemen is het verwonderlijk dat er toch zoveel vertrouwen is in blockchain. Blockchain is een spannend buzzword. Het is iets dat velen niet helemaal begrijpen maar wat desondanks omarmd wordt door ondernemende consultants en techno-optimisten (net zoals eerder cloud computing, big data en internet of things). Paul Bessems bijvoorbeeld, zelfverklaard thought leader, pionier en ‘blockchain consultant’, bepleit een nieuwe organisatiestructuur, blockchain-organiseren. Hij baseerde het concept op de uitgangspunten die de stichters van blockchain hanteerden. “Blockchain moet je zien in een breder kader, breder dan alleen technologie,” vindt hij. Bessems geeft toe dat hij graag aansluit bij alle aandacht voor blockchain. “Je zou het opportunistisch gedrag kunnen noemen. Het is zoals Victor Hugo zei: ‘Niets is krachtiger dan een idee waarvoor de tijd rijp is.’ De tijd is nu rijp om dingen fundamenteel anders te gaan organiseren.”

Volgens Kees Haverkamp is blockchain dan ook een hype die ertoe leidt dat mensen toepassingen gaan bedenken die niet voor de hand liggen. “Als je een enorme fan bent van tractoren en je wilt op wintersport met de tractor, dan kan dat. Het is duurder, langzamer en je bent hartstikke moe als je aankomt, maar het kan. Ik zou zelf liever een stationwagon pakken, want dat werkt beter. Maar ja, iedereen is nu ineens fan van tractors.” Volgens Haverkamp zijn het gewoon “opportunistische investeringsmaatschappijen en banken die achter een hype aanrennen”. “De gedachte achter blockchain vind ik te gek, maar ik ben een nuchtere Brabander. Ik moet 23 mensen salaris betalen en dat gaat niet met luchtfietsen. Daarom wachten we ermee.”

Lykle de Vries gelooft dat de gouden tijd voor blockchain vanzelf komt. “Blockchain en bitcoin volgen gewoon de Gartner hype cycle, net als internet en de mobiele telefoon hebben meegemaakt. Eerst weet niemand ervan, dan komt het in het nieuws en stijgen de verwachtingen immens. Dan valt het tegen, en weer twee jaar later zie je toepassingen. We zitten nu in het piekjaar van blockchain. Volgend jaar zul je overal horen dat het toch te moeilijk is of te duur, en ‘we krijgen het in onze bedrijfstak niet voor elkaar’. Maar daarna zul je zien dat het ineens toch overal nuttige toepasingen heeft gekregen.”

Pixels recyclen in vloeistof-kunstwerk

Nieuwemediakunstenaar Heinze Havinga en ik maakten een kunstwerk dat bestaat uit 50 meter transparante slang, een pomp, ventielen en olie en gekleurd water.

We werken aan een nieuwe versie, maar de eerste installatie die we exposeerden is nog online te bekijken.

Op elke verdieping een antieke radio

Het Nijmeegse hotel-restaurant Credible heeft op elke verdieping van het hotel een vintage radio staan. Ik voorzag ze van nieuwe elektronica en een web-interface om er een ‘multiroom audiosysteem’ van te maken, zodat op elke verdieping dezelfde muziek te horen is.

Foto’s: Marloes Verhoeven

Hagelslag verkopen met een zelfverzonnen legende

Reclamemakers noemen het ‘storytelling’: vertel een mooi verhaal rond je product, dat slaat beter aan dan domweg iets te koop aanbieden. Twee reclamejongens trokken dan ook veel aandacht met hun hipster-hagelslag waarmee ze de Amerikaanse markt willen veroveren. Maar het bijbehorende verhaal blijkt een fabeltje.

Brokjes chocola in een mooie glazen fles met een kurk erop, dat is nog eens wat anders dan een ordinaire lading hagelslag uit een kartonnen pakje.

Reclamemakers Lennart de Jong en Robbert Vos geloven dat ze met hun hip vormgegeven product en een goed verhaal hagelslag kunnen verkopen aan Amerikanen. Het Kickstarter-project waarmee ze hun broodbeleg genaamd Hagelswag lanceerden is al een eind op weg.

Het mag wat kosten, zo’n mooi product. Voor een fles met 258 gram chocola betaal je 20 euro; een pak 400 gram pure fair trade hagelslag kost in de supermarkt nog geen twee euro. Omgerekend naar kilo’s is het ruim 77 euro tegen 4,75 euro: Hagelswag is zestien keer duurder dan ‘gewone’ chocoladehagel.

Lennart de Jong legt uit waar dat prijsverschil vandaan komt. “Het is zeker een andere prijs dan we misschien gewend zijn van broodbeleg in de supermarkt. Wij hebben dan ook op een andere manier naar dit product gekeken.”

De twee marketeers wilden een gezondere, lekkerdere hagelslag en stapten daarom naar een chocolatier (“een van de betere”) en vroegen hem met hele goede kwaliteit chocola voor op brood te maken. “Dan begin je al in een iets ander segment. Dit is de chocola waar ze ook bonbons van maken.”

Chocolatier uit de Gouden Eeuw

De hagelslag-innovatie trok afgelopen week veel media-aandacht. Het heeft dan ook álles: een typisch Nederlandse lekkernij, Hollandse jongens die Amerika willen veroveren, fris design én een mooie ontstaansgeschiedenis die begint in de Gouden Eeuw. De Jong en Vos hangen hun product namelijk op aan het karakter van ene Gerbrand Slag, een zeventiende-eeuwse chocolatier uit Amsterdam.

Hagelswag noemt hem als ‘original founder’. Hij zou de uitvinder zijn van de hagelslag zoals we die nu kennen, om elke dag op je brood te doen. Die uitvinding wekte echter de wrok op van zijn collega-chocolademakers, aldus het creatieve duo Vos&Len in hun Kickstarter-video, omdat hij van chocola zo een product maakte voor ‘gewone mensen’.

Gerbrand Slag zou daarom in 1656 een grote lading hagelslag hebben gemaakt en daarmee zijn vertrokken naar Nieuw-Amsterdam, aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Maar, vertellen Vos en De Jong, Slags schip (de Prins Maurits) zonk in het zicht van de haven in het nieuwe land. Slag en zijn bemanning overleefden het, maar de hagelslag niet.

Dat is de reden dat Amerika Nederland wel kent van de tulpen en de klompen, maar niet van de hagelslag. En dat willen de heren nu rechtzetten, onder de slogan ‘Finishing Gerbrand’s journey’.

Ze ‘werken in zijn geest’ en gebruiken de beste bonen en pure, natuurlijke producten, want: “Gerbrand Slag werkte alleen met de beste ingrediënten”. Duo Vos&Len weet kennelijk nogal wat van de geschiedenis van de tot nu toe onbekende Gerbrand Slag.

Maar hoe bloedserieus ze het prachtige verhaal ook vertellen – het roept ook vragen op. Hoe komt het dat twee Amsterdamse reclamemakers zo’n historische vondst doen, zomaar als ze hun idee voor een nieuw product onderzoeken? Is dat niet ongelofelijk bijzonder?

Geschiedenis van hagelslag

Volgens Lennart de Jong is het begonnen toen ze tijdens de lunch een nieuwe hagelslag bedachten en ‘Hagelswag!’ riepen. “Toen kwam Robbert twee dagen later terug met een stukje onderzoek naar de geschiedenis van hagelslag.”

Wie zoekt naar het ontstaan van hagelslag, vindt al snel het verhaal dat hagelslag rond 1919 is bedacht door B.E. Dieperink, de directeur van snoepfabriek Venco. Dat staat Hagelswags verhaal niet in de weg, menen de reclamejongens. “Goede ideeën kennen vele vaders, en zo is het ook met hagelslag. Venz pretendeert de eerste te zijn, De Ruijter idem dito. Het verhaal dat wij hebben gehoord, klopt voor ons veel meer qua werkelijkheid.”

Venco’s originele recept van hagelslagdeeg is ten minste te vinden in het Amsterdams Stadsarchief. In dat archief zoeken op de naam Gerbrand Slag levert niks op. Google geeft alleen de enthousiaste nieuwsberichten over Hagelswag van afgelopen week – en één verwijderde Wikipedia-pagina.

Nep-artikel op Wikipedia

De auteur van de pagina is iemand met de gebruikersnaam TrevorObbs, een naam die elders online wordt gebruikt door Robbert Vos. TrevorObbs is een anagram van zijn naam. Op de pagina stond “Gerbrand Slag was een Nederlandse banketbakker die leefde in de 17e eeuw. Hij wordt gezien als de ontdekker v…”.

Een vrijwilliger van Wikipedia verwijdert de pagina op 20 oktober 2014 met de opmerking: “omdat het overduidelijk een nep-artikel is”. Het aanmaken (en weghalen) van het artikel gebeurde een maand nadat Robbert Vos en Lennart de Jong, volgens de tijdlijn op hun Kickstarter, begonnen met Hagelswag.

Heeft Hagelswag Gerbrand Slag echt niet gewoon zelf verzonnen? Lennart de Jong: “Ik kan je vertellen dat we zoveel mogelijk research hebben gedaan. We zijn naar Het Scheepvaartmuseum gegaan, zijn in logboeken gedoken. We weten wel wat van reclame en storytelling, maar dit wisten we niet. Ook wij kunnen niet met zekerheid zeggen dat het klopt, net als andere merken niet kunnen zeggen dat hun verhaal klopt. Dit is wat wij geloven.”

Hoe komt het dan dat Nederland die beroemde, innovatieve chocolatier Gerbrand Slag is vergeten? De Jong: “Slag betekent in het Amerikaans ‘slet’. Wij denken dat Slag zijn achternaam mogelijk heeft veranderd en daarom niet meer te vinden is.”

Maar ook dat is niet aannemelijk. Het klopt wel dat ‘slag’ volkstaal is voor prostituee of promiscue vrouw, maar volgens de Oxford English Dictionary is dat pas zo sinds halverwege de twintigste eeuw. De allereerste vermelding van slag in het Engels is in de betekenis van ‘lafaard’, maar dat is in 1788 – ruim honderd jaar na Gerbrand Slags vermeende reis.

Cacao alleen gedronken

Technisch kan het eigenlijk ook al niet, hagelslag als broodbeleg in de zeventiende eeuw. Historicus Peter Scholliers van de Vrije Universiteit Brussel legt het graag uit, “want ik houd van chocola”. Scholliers leidt de onderzoeksgroep Sociaal en Cultureel Voedingsonderzoek en is redacteur bij vakbladen zoals Food & History.

“Ik vind het bijzonder mooi dat die twee jonge mannen zo gebruik maken van het verleden om hun product aan de man te brengen. Het is een mooi verhaal hè. Maar ik ben ook zeer sceptisch. Goed gevonden, maar ik betwijfel het in grote mate”, zegt Scholliers. “Amsterdam was toen het New York of Tokyo van nu. Dat er veel gebeurde, staat als een paal boven water. Maar cacao werd toen alleen gedronken.”

Chocola in vaste vorm eten breekt pas door rond 1870. De woorden chocolatier en chocola verschijnen sowieso pas in het eerste kwart van de negentiende eeuw, vertelt Scholliers. “Het woord chocolat in de betekenis van vandaag, als reep of plak, werd niet gebruikt tot in 1850.”

Hoge technologie

Nadat de Venco-directeur op het idee kwam dat witte, broze korrels met een anijssmaak als broodbeleg zouden kunnen dienen, zou het nog tot 1936 duren voordat Venz met de productie van chocoladehagelslag kon beginnen. Dat is veel plausibeler, vindt Scholliers.

“Hagelslag is een product van hoge technologie. Als je in de pre-industriële periode chocola wil maken, dan moet dat manueel. Hoe geraak je dan op hagelslag? Met een halve dag werken heb je misschien 100 gram.”

Met de voedingsnijverheid in 1936 is het perfect plausibel, denkt Scholliers. “Het verhaal over een zeventiende-eeuwer die misschien naar Nieuw-Amsterdam is gevaren, dat kan allemaal waar zijn, maar het lijkt me toch een marketing-aangelegenheid.”

Brief over schipbreuk

Diederick Wildeman, conservator zeevaartkunde en bibliotheekcollecties van het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, wil wel even opzoeken of de reis met de Prins Maurits inderdaad heeft plaatsgevonden. En warempel, dat schip is daadwerkelijk in 1656 vertrokken vanaf Texel, en is in 1657 vergaan voor de kust van Long Island. Dus dat deel van het verhaal van Hagelswag klopt!

“Nou ja, dit is alles. Is die man ook aan boord?” vraagt Wildeman retorisch. “Ze kunnen hier in het museum geweest zijn en dit schip eruit hebben gepikt. Het verhaal zou nog steeds op duizend-en-een manieren kunnen kloppen, maar om meer te kunnen nagaan, moeten ze een bron noemen en op welke regels het staat.”

Aan de hand van de informatie van het Scheepvaartmuseum is ook een brief terug te vinden die koloniebestuurder J. Alrich op 13 april 1657 schreef aan zijn meerderen in Amsterdam over de schipbreuk van de Prins Maurits. Alrich schrijft dat alle ‘droge goederen’ op tijd van het zinkende schip konden worden gehaald. Alleen wat bouwmaterialen zoals stenen en smidskolen gingen ten onder; de consumptiegoederen werden gered. De brief maakt nergens melding van een lading hagelslag.

Vierhonderd sponsors

Desgevraagd kan Robbert Vos geen exacte bron noemen voor het bestaan van Gerbrand Slag. “We hoorden dat verhaal, en zijn het gaan uitzoeken. We vonden heel veel kleine stukjes informatie, waarvan we op een gegeven moment hebben gezegd: ‘Dit is zo inspirerend voor ons, dat we er graag in geloven.’ Of Slag echt bestaan heeft kunnen we niet bewijzen, maar dit verhaal is voor ons rond en we willen het graag met de wereld delen.”

Hagelswag heeft nu vierhonderd sponsors en zit met nog negen dagen te gaan op bijna twee derde van hun doel van 30.000 euro. In augustus wil Hagelswag flessen gaan produceren, om in oktober te beginnen met leveren.

Misschien moet dat zonder storytelling en zonder Gerbrand Slag, want het heeft er alle schijn van dat de fraaie ontstaansmythe van Hagelswag regelrecht uit de duim is gezogen.

Publicatiedatum:
20/05/2016

Wat las Astrid vorig jaar?

Mijn vriendin leest veel boeken. Heel veel. Astrid leest voor haar werk (docent Engels en literatuurwetenschapper), maar ook voor haar plezier. Als ze een boek uit heeft, schrijft ze de titel in haar agenda. Omdat het er zoveel zijn, leek het me leuk om er met D3 (een prachtige tool voor datavisualisatie) een paar infografieken van te maken.

We laten zien wanneer Astrid welke titels las en in welke taal en uit welke landen ze boeken las.

Interactieve infographics: tijdlijn en bubbels.

Blogpost: The books I read in 2015

Pagina 1 of 4

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén