Eerlijke Media

journalist en maker Jaap Meijers

Auteur: jaap (Page 2 of 4)

Hagelslag verkopen met een zelfverzonnen legende

Reclamemakers noemen het ‘storytelling’: vertel een mooi verhaal rond je product, dat slaat beter aan dan domweg iets te koop aanbieden. Twee reclamejongens trokken dan ook veel aandacht met hun hipster-hagelslag waarmee ze de Amerikaanse markt willen veroveren. Maar het bijbehorende verhaal blijkt een fabeltje.

Brokjes chocola in een mooie glazen fles met een kurk erop, dat is nog eens wat anders dan een ordinaire lading hagelslag uit een kartonnen pakje.

Reclamemakers Lennart de Jong en Robbert Vos geloven dat ze met hun hip vormgegeven product en een goed verhaal hagelslag kunnen verkopen aan Amerikanen. Het Kickstarter-project waarmee ze hun broodbeleg genaamd Hagelswag lanceerden is al een eind op weg.

Het mag wat kosten, zo’n mooi product. Voor een fles met 258 gram chocola betaal je 20 euro; een pak 400 gram pure fair trade hagelslag kost in de supermarkt nog geen twee euro. Omgerekend naar kilo’s is het ruim 77 euro tegen 4,75 euro: Hagelswag is zestien keer duurder dan ‘gewone’ chocoladehagel.

Lennart de Jong legt uit waar dat prijsverschil vandaan komt. “Het is zeker een andere prijs dan we misschien gewend zijn van broodbeleg in de supermarkt. Wij hebben dan ook op een andere manier naar dit product gekeken.”

De twee marketeers wilden een gezondere, lekkerdere hagelslag en stapten daarom naar een chocolatier (“een van de betere”) en vroegen hem met hele goede kwaliteit chocola voor op brood te maken. “Dan begin je al in een iets ander segment. Dit is de chocola waar ze ook bonbons van maken.”

Chocolatier uit de Gouden Eeuw

De hagelslag-innovatie trok afgelopen week veel media-aandacht. Het heeft dan ook álles: een typisch Nederlandse lekkernij, Hollandse jongens die Amerika willen veroveren, fris design én een mooie ontstaansgeschiedenis die begint in de Gouden Eeuw. De Jong en Vos hangen hun product namelijk op aan het karakter van ene Gerbrand Slag, een zeventiende-eeuwse chocolatier uit Amsterdam.

Hagelswag noemt hem als ‘original founder’. Hij zou de uitvinder zijn van de hagelslag zoals we die nu kennen, om elke dag op je brood te doen. Die uitvinding wekte echter de wrok op van zijn collega-chocolademakers, aldus het creatieve duo Vos&Len in hun Kickstarter-video, omdat hij van chocola zo een product maakte voor ‘gewone mensen’.

Gerbrand Slag zou daarom in 1656 een grote lading hagelslag hebben gemaakt en daarmee zijn vertrokken naar Nieuw-Amsterdam, aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Maar, vertellen Vos en De Jong, Slags schip (de Prins Maurits) zonk in het zicht van de haven in het nieuwe land. Slag en zijn bemanning overleefden het, maar de hagelslag niet.

Dat is de reden dat Amerika Nederland wel kent van de tulpen en de klompen, maar niet van de hagelslag. En dat willen de heren nu rechtzetten, onder de slogan ‘Finishing Gerbrand’s journey’.

Ze ‘werken in zijn geest’ en gebruiken de beste bonen en pure, natuurlijke producten, want: “Gerbrand Slag werkte alleen met de beste ingrediënten”. Duo Vos&Len weet kennelijk nogal wat van de geschiedenis van de tot nu toe onbekende Gerbrand Slag.

Maar hoe bloedserieus ze het prachtige verhaal ook vertellen – het roept ook vragen op. Hoe komt het dat twee Amsterdamse reclamemakers zo’n historische vondst doen, zomaar als ze hun idee voor een nieuw product onderzoeken? Is dat niet ongelofelijk bijzonder?

Geschiedenis van hagelslag

Volgens Lennart de Jong is het begonnen toen ze tijdens de lunch een nieuwe hagelslag bedachten en ‘Hagelswag!’ riepen. “Toen kwam Robbert twee dagen later terug met een stukje onderzoek naar de geschiedenis van hagelslag.”

Wie zoekt naar het ontstaan van hagelslag, vindt al snel het verhaal dat hagelslag rond 1919 is bedacht door B.E. Dieperink, de directeur van snoepfabriek Venco. Dat staat Hagelswags verhaal niet in de weg, menen de reclamejongens. “Goede ideeën kennen vele vaders, en zo is het ook met hagelslag. Venz pretendeert de eerste te zijn, De Ruijter idem dito. Het verhaal dat wij hebben gehoord, klopt voor ons veel meer qua werkelijkheid.”

Venco’s originele recept van hagelslagdeeg is ten minste te vinden in het Amsterdams Stadsarchief. In dat archief zoeken op de naam Gerbrand Slag levert niks op. Google geeft alleen de enthousiaste nieuwsberichten over Hagelswag van afgelopen week – en één verwijderde Wikipedia-pagina.

Nep-artikel op Wikipedia

De auteur van de pagina is iemand met de gebruikersnaam TrevorObbs, een naam die elders online wordt gebruikt door Robbert Vos. TrevorObbs is een anagram van zijn naam. Op de pagina stond “Gerbrand Slag was een Nederlandse banketbakker die leefde in de 17e eeuw. Hij wordt gezien als de ontdekker v…”.

Een vrijwilliger van Wikipedia verwijdert de pagina op 20 oktober 2014 met de opmerking: “omdat het overduidelijk een nep-artikel is”. Het aanmaken (en weghalen) van het artikel gebeurde een maand nadat Robbert Vos en Lennart de Jong, volgens de tijdlijn op hun Kickstarter, begonnen met Hagelswag.

Heeft Hagelswag Gerbrand Slag echt niet gewoon zelf verzonnen? Lennart de Jong: “Ik kan je vertellen dat we zoveel mogelijk research hebben gedaan. We zijn naar Het Scheepvaartmuseum gegaan, zijn in logboeken gedoken. We weten wel wat van reclame en storytelling, maar dit wisten we niet. Ook wij kunnen niet met zekerheid zeggen dat het klopt, net als andere merken niet kunnen zeggen dat hun verhaal klopt. Dit is wat wij geloven.”

Hoe komt het dan dat Nederland die beroemde, innovatieve chocolatier Gerbrand Slag is vergeten? De Jong: “Slag betekent in het Amerikaans ‘slet’. Wij denken dat Slag zijn achternaam mogelijk heeft veranderd en daarom niet meer te vinden is.”

Maar ook dat is niet aannemelijk. Het klopt wel dat ‘slag’ volkstaal is voor prostituee of promiscue vrouw, maar volgens de Oxford English Dictionary is dat pas zo sinds halverwege de twintigste eeuw. De allereerste vermelding van slag in het Engels is in de betekenis van ‘lafaard’, maar dat is in 1788 – ruim honderd jaar na Gerbrand Slags vermeende reis.

Cacao alleen gedronken

Technisch kan het eigenlijk ook al niet, hagelslag als broodbeleg in de zeventiende eeuw. Historicus Peter Scholliers van de Vrije Universiteit Brussel legt het graag uit, “want ik houd van chocola”. Scholliers leidt de onderzoeksgroep Sociaal en Cultureel Voedingsonderzoek en is redacteur bij vakbladen zoals Food & History.

“Ik vind het bijzonder mooi dat die twee jonge mannen zo gebruik maken van het verleden om hun product aan de man te brengen. Het is een mooi verhaal hè. Maar ik ben ook zeer sceptisch. Goed gevonden, maar ik betwijfel het in grote mate”, zegt Scholliers. “Amsterdam was toen het New York of Tokyo van nu. Dat er veel gebeurde, staat als een paal boven water. Maar cacao werd toen alleen gedronken.”

Chocola in vaste vorm eten breekt pas door rond 1870. De woorden chocolatier en chocola verschijnen sowieso pas in het eerste kwart van de negentiende eeuw, vertelt Scholliers. “Het woord chocolat in de betekenis van vandaag, als reep of plak, werd niet gebruikt tot in 1850.”

Hoge technologie

Nadat de Venco-directeur op het idee kwam dat witte, broze korrels met een anijssmaak als broodbeleg zouden kunnen dienen, zou het nog tot 1936 duren voordat Venz met de productie van chocoladehagelslag kon beginnen. Dat is veel plausibeler, vindt Scholliers.

“Hagelslag is een product van hoge technologie. Als je in de pre-industriële periode chocola wil maken, dan moet dat manueel. Hoe geraak je dan op hagelslag? Met een halve dag werken heb je misschien 100 gram.”

Met de voedingsnijverheid in 1936 is het perfect plausibel, denkt Scholliers. “Het verhaal over een zeventiende-eeuwer die misschien naar Nieuw-Amsterdam is gevaren, dat kan allemaal waar zijn, maar het lijkt me toch een marketing-aangelegenheid.”

Brief over schipbreuk

Diederick Wildeman, conservator zeevaartkunde en bibliotheekcollecties van het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, wil wel even opzoeken of de reis met de Prins Maurits inderdaad heeft plaatsgevonden. En warempel, dat schip is daadwerkelijk in 1656 vertrokken vanaf Texel, en is in 1657 vergaan voor de kust van Long Island. Dus dat deel van het verhaal van Hagelswag klopt!

“Nou ja, dit is alles. Is die man ook aan boord?” vraagt Wildeman retorisch. “Ze kunnen hier in het museum geweest zijn en dit schip eruit hebben gepikt. Het verhaal zou nog steeds op duizend-en-een manieren kunnen kloppen, maar om meer te kunnen nagaan, moeten ze een bron noemen en op welke regels het staat.”

Aan de hand van de informatie van het Scheepvaartmuseum is ook een brief terug te vinden die koloniebestuurder J. Alrich op 13 april 1657 schreef aan zijn meerderen in Amsterdam over de schipbreuk van de Prins Maurits. Alrich schrijft dat alle ‘droge goederen’ op tijd van het zinkende schip konden worden gehaald. Alleen wat bouwmaterialen zoals stenen en smidskolen gingen ten onder; de consumptiegoederen werden gered. De brief maakt nergens melding van een lading hagelslag.

Vierhonderd sponsors

Desgevraagd kan Robbert Vos geen exacte bron noemen voor het bestaan van Gerbrand Slag. “We hoorden dat verhaal, en zijn het gaan uitzoeken. We vonden heel veel kleine stukjes informatie, waarvan we op een gegeven moment hebben gezegd: ‘Dit is zo inspirerend voor ons, dat we er graag in geloven.’ Of Slag echt bestaan heeft kunnen we niet bewijzen, maar dit verhaal is voor ons rond en we willen het graag met de wereld delen.”

Hagelswag heeft nu vierhonderd sponsors en zit met nog negen dagen te gaan op bijna twee derde van hun doel van 30.000 euro. In augustus wil Hagelswag flessen gaan produceren, om in oktober te beginnen met leveren.

Misschien moet dat zonder storytelling en zonder Gerbrand Slag, want het heeft er alle schijn van dat de fraaie ontstaansmythe van Hagelswag regelrecht uit de duim is gezogen.

Publicatiedatum:
20/05/2016

Wat las Astrid vorig jaar?

Mijn vriendin leest veel boeken. Heel veel. Astrid leest voor haar werk (docent Engels en literatuurwetenschapper), maar ook voor haar plezier. Als ze een boek uit heeft, schrijft ze de titel in haar agenda. Omdat het er zoveel zijn, leek het me leuk om er met D3 (een prachtige tool voor datavisualisatie) een paar infografieken van te maken.

We laten zien wanneer Astrid welke titels las en in welke taal en uit welke landen ze boeken las.

Interactieve infographics: tijdlijn en bubbels.

Blogpost: The books I read in 2015

Nieuwjaarskaarten met optimistische grafieken

Ik hou van nieuwjaarskaarten sturen, en ik hou van infographics. Samen met een paar briljante professionals maakte ik een set nieuwjaarskaarten op basis van wat statistieken die optimistisch stemmen.

De kaarten die infographics-tovenaar Nadieh Bremer, illustrator Sterre Verbokkem en datagraver Stephan Okhuijsen en ik maakten, zijn gratis te downloaden op http://datagraver.com/gelukkig

Nadieh Bremer schreef een uitgebreide ‘making of’ op haar prachtige weblog.

Vintage televisie met een modern beeldscherm

Het begon met een eerste televisie voor lunchroom Sid en Liv in Nijmegen. De eigenaren wilden graag een scherm in de zaak waarop klanten zouden kunnen zien of er regen of droog weer aankomt. Mensen vragen in zo’n koffiezaak immers na een bui altijd of het zin heeft om weer op het terras te gaan zitten. Maar een gewoon televisiescherm staat niet in zo’n mooie zaak, en zo ontstond het idee voor een mooie televisie uit de jaren vijftig met een computermonitor en een Raspberry Pi erin.

De tv was zo leuk om te maken en de respons zo positief, dat ik er mee door ben gegaan. Inmiddels heb ik al een flinke klantenkring opgebouwd en staan mijn televisies te pronken in horeca, kledingwinkels en zelfs in een escape room.

Meer informatie: retromedia.nl

Zelf een vintage televisie ombouwen? Ik heb een handleiding geschreven op Instructables en in computerblad PCM (pdf).

Slimme meter makkelijk af te lezen voor iedereen

Ondanks de strikte privacyregels zijn de data van álle huishoudens met een slimme meter in te zien, voor iedereen die erom vraagt.
Kort gesprek op Radio 1 waarin ik uitleg hoe data uit alle slimme meters bij iedereen terecht kan komen: http://www.radio1.nl/popup/terugluisteren-programma/3/2015-01-29 (tweede fragment, vanaf 1’10″00)

Elektriciteitsbedrijven zijn deze maand begonnen in het hele land slimme meters te installeren. Zij kunnen dankzij de nieuwe digitale meters op afstand de meter uitlezen en de gebruikers zelf krijgen beter inzicht in hun energieverbruik. Nu blijkt echter dat er zó slordig met die gegevens wordt omgesprongen, dat het verbruik van elk huishouden met een slimme meter is in te zien voor iedereen die erom vraagt.

Sinds de eerste huishoudens als proef een slimme meters kregen, zijn er enkele tientallen websites en mobiele apps opgekomen waar mensen hun eigen verbruik kunnen volgen. Het idee is dat mensen zo gemakkelijk kunnen zien hoe ze op hun energierekening kunnen besparen. Veel van die diensten controleren echter niet of degene die zich aanmeldt, ook daadwerklijk op het opgegeven adres woont.

Op Goeiepeer.nl bijvoorbeeld, een site van Natuur & Milieu en netbeheerders Enexis en Liander, kunnen mensen met een slimme meter hun verbruik vergelijken met dat van anderen. Als iemand een account aanmaakt, stuurt de site een verzoek naar de netbeheerder om de gegevensstroom aan te zetten. Er is geen controle op het adres. Zelfs het opgeven van een valse naam voorkomt niet dat je na drie tot vijf werkdagen te zien krijgt hoeveel energie de bewoners verbruiken. Dat gaat niet verder dan het stroomverbruik per 15 minuten en de gasmeterstand per uur, maar het is voldoende om ruwweg te kunnen opmaken bijvoorbeeld wanneer mensen thuis zijn, hoe laat ze naar bed gaan en opstaan, hoe hoog de verwarming staat en hoe vaak ze douchen.

Brief

Een andere website waar mensen inzicht kunnen krijgen in hun energieverbruik, is SlimmemeterPortal.nl. Die site stuurt wél een brief met een unieke code die mensen moeten invullen op de site. Eigenaar Eric Carbijn vindt het belangrijk om zorgvuldig met de data om te gaan, juist omdat je er veel aan kunt afleiden: “Ik kan redelijk goed benaderen hoeveel mensen er in een huis wonen. We hebben wel eens geprobeerd te raden of ze er dochters of zonen hebben, want dochters douchen veel langer. We zaten eng dichtbij. Zeker als je veel data hebt om mee te vergelijken, dan kun je heel veel uitrekenen.”

Carbijn denkt dat zijn concurrenten geen brief sturen vanwege de extra kosten: “Ik ken geen andere partijen die dat doen. Ze vinden dat een te dure optie.” Folkwin Emaar, als projectmanager betrokken bij Goeiepeer.nl, geeft nog een reden: “We hebben er wel bewust over nagedacht of we nog een verificatiestap zouden inbouwen, bijvoorbeeld een brief met daarin een unieke code. Maar dat zou een extra drempel zijn voor mensen om mee te doen. Er is een risico, maar dat dekken we af door mensen akkoord te laten gaan met voorwaarden waarin staat dat zij echt op dat adres wonen.”

Om gegevens van de netbeheerders te ontvangen, hoeven de ‘onafhankelijke dienstaanbieders’ (ODA) nu alleen met een directieverklaring te beloven dat ze hun uiterste best doen te controleren of hun klanten wonen waar ze zeggen te wonen. In de praktijk vindt een aantal het voldoende dat nieuwe klanten beloven daar eerlijk over te zijn. Behalve Goeiepeer.nl controleren ook de app Energy Vikings en de website Enelogic de identiteit van nieuwe aanmeldingen niet. Er zijn ook apps die een gebruiker vragen om het nummer van de meters, maar alleen energieleveranciers zoals Essent kunnen dat, omdat zij weten welke meter bij welk adres hoort.

Spiegel

Het is de netbeheerders en energiebedrijven verboden, op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens, om meetgegevens aan derden te geven. Dat mag alleen als een klant daar nadrukkelijk toestemming voor geeft. Zij mogen dat niet afschuiven op onafhankelijke dienstaanbieders en die kunnen hun verantwoordelijkheid weer niet zomaar opzij schuiven in hun algemene voorwaarden, bevestigt het College bescherming persoonsgegevens (CBP).

Waarom geven de netbeheerders, die de energietransportnetwerken in Nederland beheren, de gegevens uit de slimme meter dan gewoon door zonder vragen te stellen? André Jurjus, directeur van branchevereniging Netbeheer Nederland: “Je verwacht niet dat mensen dit doen. Als de ODA zegt ‘ik heb een mandaat van de klant’, dan gaat de netbeheerder ervanuit dat de ODA zich aan de wet gehouden heeft.” Hij hoort ervan op dat het mogelijk is om gegevens van vreemden uit te vragen. Helemaal als hij hoort dat we kunnen zien dat hij op zijn eigen huisadres géén slimme meter heeft: “Tot nu toe gingen de netbeheerders ervanuit dat de poort voldoende op slot zat, maar dat blijkt nu te makkelijk gedacht. Wij moeten in de spiegel kijken en ons afvragen wat ons te doen staan.”

Er zijn nu ruim 900.000 huishoudens met een slimme meter. De overheid wil dat in 2020 ten minste tachtig procent van de Nederlandse huishoudens een slimme meter heeft. Weigeren mag en de communicatie met de netbeheerder uit laten zetten kan ook, maar slechts drie procent van de huishoudens doet dat.

Moet dat nou, een bestuurbare kakkerlak?

Hoe leer je scholieren hoe het zenuwstelsel werkt? Het bedrijf van twee Amerikaanse neurobiologen biedt lesmateriaal aan dat meer indruk maakt dan een schoolboek: een setje waarmee je kakkerlakken op afstand kunt besturen. Een goed idee of onethisch?

Neurowetenschapper en technicus Greg Gage demonstreerde begin deze maand in Detroit een nieuw product. Een kakkerlak krabbelde over de vloer met een chip en een batterijtje op zijn rug. Gage bepaalde in welke richting het insect liep door zijn iPhone te gebruiken als een afstandsbediening.

De kakkerlak reageert op signalen van elektroden in zijn voelsprieten. De chip op zijn rug ontvangt de signalen die de smartphone verstuurt via Bluetooth. Wie het wil proberen, kan nu zo’n RoboRoach-kit bestellen: 99 dollar plus 38 dollar verzendkosten (totaal: 100 euro). In november begint Backyard Brains, Gages bedrijf, met het verzenden van de elektronica en dan moet ook de app voor de iPhone beschikbaar zijn.

Doe-het-zelf-experiment
Om een kakkerlak te besturen, moet je wel eerst zelf de elektronica bevestigen. Een video op backyardbrains.com laat de operatie zien. Om te beginnen verdoof je de kakkerlak door hem in een bakje met ijswater te leggen. Als hij koud genoeg is, beweegt hij niet meer en kun je makkelijk de operatie uitvoeren. Een stukje van het exoskelet opschuren en dan met wat hobbylijm een stekkertje met drie dunne zilveren draadjes op de kop van de kakkerlak plakken. Dan knip je beide voelsprieten halverwege af. Je steekt in elke voelspriet een draadje, dat je vastzet met wat secondelijm. Vervolgens maak je een gaatje in de thorax, het borststuk van de kakkerlak. Daar gaat ook nog een draadje in om het signaal te aarden. Het RoboRoach-printplaatje steek je vervolgens in de connector. Als de cyborg-kakkerlak weer op temperatuur is, is hij direct klaar voor gebruik.

Backyard Brains presenteert de RoboRoach als een neurowetenschappelijk doe-het-zelf-experiment. Het bedrijf verkoopt al een paar jaar bijzondere educatieve apparatuur. De SpikerBox bijvoorbeeld, een draagbaar elektrofysiologisch laboratoriumpje. “Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat een waanzinnig ding vind”, zegt Marten Hazelaar, docent biologie van Christelijke College De Populier in Den Haag. “Het is een apparaatje waar je heel mooi actiepotentialen mee kunt meten. Je knipt een poot af van een kakkerlak en daar steek je twee spelden in. Vervolgens kun je de signalen tussen zenuwcellen horen en zien.”

De SpikerBox wordt op meer Nederlandse scholen en universiteiten gebruikt, omdat het een betaalbare manier is om neurofysiologische proefjes te doen. Hazelaar: “Neurobiologie is een moeilijk, belangrijk onderwerp van het examenprogramma. Dat kun je uitleggen met animaties en plaatjes, maar voor het eerst kun je er echt iets aan meten. Dat is wel geweldig hoor. Veel beter dan een verhaal op het bord of een YouTube-filmpje.”

Didactisch geweldig
De nieuwste innovatie van Backyard Brains vindt hij ook erg interessant, en tegelijkertijd dubieus. “Het vertelt een hoop over wat er mogelijk is en hoe precies men tegenwoordig hersenen kan beïnvloeden. Didactisch is het geweldig. Je kunt zo leerlingen heel geboeid krijgen over hoe neurobiologie werkt. Maar ik zou het nooit doen. Een kakkerlak is toch een levend organisme waar je een soort ontzag voor moet hebben. Een levend organisme reduceren tot een grappig apparaatje gaat me veel te ver.”
Niet alle biologiedocenten zullen er zo over denken. Piet Blankers, biologiedocent op een middelbare school in Best: “We kunnen niet bewijzen dat insecten geen pijn hebben, maar ik heb daar zelf niet zoveel problemen mee. Het lijkt me gaaf om te laten zien in de les.”

Neurofysicus John van Opstal is verklaard voorstander van het gebruik van proefdieren. Hij gebruikt bij zijn onderzoek in het Donders-instituut in Nijmegen rhesusaapjes om erachter te komen wat er in de hersenen gebeurt bij ruimtelijke waarneming. “Als mensen kakkerlakken al zielig gaan vinden… Dan moet je je ook afvragen of planten iets voelen als je erin gaat zitten bijten. Waar houdt het dan op?”

Aanrommelen
Scholieren laten experimenteren met een levende kakkerlak lijkt hem een goed idee: “Op scholen wordt veel te weinig aan wetenschap gedaan. Dit is misschien een beetje raar, en akelig, maar als je met heel bescheiden middelen kunt kijken hoe zo’n mechanisme in elkaar steekt, door te meten en te besturen, dan vind ik dat uitermate goed. Op een middelbare school zou dat best moeten kunnen.”

Dat de bestuurbare kakkerlak overkomt als een speeltje, zit Van Opstal niet dwars: “Dat er idioten zijn die er een spelletje van maken, dat zal best, maar dat is niet de bedoeling van Backyard Brains. Zij willen zorgen voor een laagdrempelige manier om metingen te doen, zodat meer mensen toegang hebben tot zulke technieken. Als het al een spelletje is, dan is de lol er snel van af hoor.”

Pim Haselager, als filosoof en psycholoog verbonden aan hetzelfde Donders-instituut voor hersenonderzoek, ziet niet wat er zo educatief aan is. “Als scholieren hier iets van leren, dan toch niet de juiste dingen. Ze leren dat wetenschap is: rommel maar wat aan. Begin maar met snijen en implanteren en dan zie je wel wat de effecten zijn. Ze leren gebrek aan respect voor dieren en ik zie niet in wat dat met wetenschap te maken heeft. Wat ik zie, is een bedrijf dat setjes verkoopt. Dit is geïnstrueerd dierenleed waar geld aan verdiend wordt onder het mom van educatie.”

Populair voedseldier
Backyard Brains levert de benodigde kakkerlakken mee, maar niet bij internationale bestellingen. Nederlandse klanten moeten dus zelf aan kakkerlakken zien te komen. De Amerikanen gebruiken grotere kakkerlakken dan de soorten die in Nederland rondlopen. Zijn kakkerlakken als de Blaberus discoidalis of de doodshoofdkakkerlak (Blaberus craniifer) hier te krijgen? Ja hoor, geen probleem: winkels als De Vogelkelder en Terrariumkoerier.nl verkopen sprinkhanen, wormen en ook kakkerlakken als voer voor reptielen. Kakkerlakken zijn populair als voedseldier vanwege hun hoge proteïne-gehalte.

Stefan Coenen van Terra Equipment verkoopt Blaptica dubia voor twee euro twintig per tien. Maar het idee om een chip vast te plakken op kakkerlakken om ze te kunnen besturen bevalt hem helemaal niet: “Het lijkt me heel erg raar. Ik snap niet dat dat zomaar verkocht mag worden. Dat is toch dierenmishandeling?” Zijn collega van Terrariumkoerier.nl heeft er veel minder moeite mee: “Ik kan dinsdag een partij grote kakkerlakken hebben. Die chip lijkt me ook wel leuk om aan te bieden, als stunt. Heb je voor mij een adres waar ik ze kan importeren?”
Mag je in Nederland überhaupt levende insecten ombouwen tot radiografisch bestuurbare dieren? Wetenschappers hebben te maken met de Wet op de Dierproeven en strenge dierproevencommissies. Invertebraten, de ongewervelde dieren, vallen echter niet onder die wet en kunnen zonder problemen gebruikt worden voor experimenten. Maar we hebben ook nog de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Die geldt voor alle dieren, ook die zonder ruggegraat. Artikel 36 zegt dat het verboden is ‘om zonder redelijk doel … bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen’.

De Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ziet toe op naleving van de regels door bedrijven. Kakkerlakken invoeren en houden mag en kakkerlakken doden in het kader van ongediertebestrijding is ook toegestaan. De NVWA heeft de RoboRoach nog niet onderzocht, maar de woordvoerder is na het zien van het filmpje vrij duidelijk: “Voelsprieten afknippen, daar elektroden in steken en elektronica op het lijf plakken, dat is in strijd met artikel 36. Als je dat doet, dan overtreed je de wet.”

‘Manipulatie niet noodzakelijk’
Backyard Brains bezweert dat de kakkerlakken geen pijn voelen. Insecten hebben namelijk wel een zenuwstelsel, maar geen centraal brein om pijn mee te voelen. De Amerikanen noemen als bewijs voor gevoelloosheid dat de RoboRoach-kakkerlakken zich vrij snel aanpassen aan de signalen via hun voelsprieten. Na een dag of vijf reageren ze zelfs helemaal niet meer op de prikkels via de elektroden. Is die korte ‘gebruikstijd’ niet extra cru? Van Opstal: “Vijf dagen met één kakkerlak doen vind ik heel lang! Veel mensen beschouwen een kakkerlak als ongedierte en daar gaan ze direct op staan! Of ze strooien gif zodat ze op een andere manier kapotgaan. Mensen staan er niet bij stil wat ze dieren aandoen.”

Frauke Ohl, hoogleraar dierenwelzijn en proefdierkunde aan de Universiteit Utrecht, vindt dat geen argument: hele erge daden kun je niet goedpraten met andere erge daden. Zolang je niet zeker weet of invertebraten ongerief kunnen ervaren, moeten we er wat haar betreft maar van uitgaan dat het wel zo is: “Ik vind het ook nuttig dat scholieren leren dat lagere dieren iets hebben als een zenuwstelsel, maar het is niet noodzakelijk om ze daarvoor dat zenuwstelsel te laten manipuleren.”

Onaanvaardbaar
Ohl onderzoekt juist hoe het gebruik van dierproeven kan worden beperkt. De video van de RoboRoach vindt ze ‘shocking’. “Er wordt toch op een vrij lichte manier de dramatische instrumentalisering van een dier getoond. Om lagere dieren als mechanische instrumentjes in te zetten en daar op geen enkele manier ethische context bij te geven, dat vind ik onaanvaardbaar.”

Of insecten pijn kunnen voelen, doet er niet eens toe. Waarom zou je je bemoeien met de natuurlijke levensloop van beesten, vraagt Pim Haselager zich af: “Ja, als je last hebt van ongedierte dan ga je dat bestrijden. Maar beesten manipuleren is iets heel anders. Of ze nou een rijk gevoelsleven hebben of niet doet er niet toe. Het is een heel normaal principe: wat leeft dat respecteer je. Daar blijf je van af als je er niks mee te maken hebt.”

Tijdens een science-project vorig schooljaar wou een meisje een raketauto maken van ijs, vertelt biologieleraar Marten Hazelaar. “Dat is grappig, zoiets kunnen we proberen. Maar biologie is geen technologie. Biologie gaat er niet om te kijken of alles kan, nee, je wil begrijpen. Zo’n RoboRoach voegt niet zo veel toe aan het begrijpen. Dit is te veel een gadget om het in de les te gebruiken.”

Publicatiedatum:
17/10/2013

Tweede Kamer was nog nooit zo veel aanwezig

Hoe vaak zijn Tweede Kamerleden aanwezig in de Tweede Kamer? Na uitgebreid datajournalistiek onderzoek konden collega Daan Marselis en ik in NRC Handelsblad concluderen: opvallend vaak!

Ik bouwde een scraper om de Handelingen van alle plenaire vergaderingen van de afgelopen 19 jaar binnen te halen. Met een ander script turfde ik vervolgens voor alle 2.546 vergaderingen van de Eerste en Tweede Kamer welke Kamerleden wel en niet aanwezig waren. Met die gegevens in de database konden we de opkomst van de volksvertegenwoordigers analyseren.

We vonden een paar interessante verbanden, zoals een klein verschil tussen linkse en rechtse partijen, en dat fractievoorzitters meestal een stuk minder vaak aanwezig zijn dan hun fractie. Maar vooral de historische ontwikkeling is interessant: de gemiddelde opkomst van de Tweede Kamer stijgt de laatste jaren en afgelopen jaar boekte het parlement zelfs een record. Niet eerder waren Tweede Kamerleden zó veel aanwezig als in het afgelopen jaar.

Met dank aan het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Hieronder volgt het complete artikel (een iets langere versie dan wat we publiceerden in het NRC).

NRC 21082013 aanwezigheid Kamerleden

KOPSUGGESTIE
Kamerleden vaker aanwezig dan ooit

TEKST
Daan Marselis en Jaap Meijers

INTRO
Tweede Kamerleden waren het afgelopen jaar vaker aanwezig op vergaderdagen dan in de twee decennia ervoor. Dat blijkt uit onderzoek van NRC Handelsblad. Fractievoorzitters debatteren vaker mee en de bezetting op links is iets minder hoog dan die op rechts.

BROODTEKST
Marianne Thieme reist veel, richt overal ter wereld partijen voor de dieren op, schreef afgelopen jaar een boek en maakt bovendien documentaires. “Daarvoor bedenk ik het format en ik zit ook zelf in een aantal van die documentaires.” Je zou bijna vergeten dat Thieme eigenlijk Kamerlid is, en ook nog de fractievoorzitter van haar partij.
Het is niet toevallig dat Thieme van alle fractievoorzitter het minst aanwezig is in de Tweede Kamer. Sinds 2006 was ze op 71 procent van de vergaderdagen present. Die relatief lage opkomst is een politieke keuze, zegt ze aan de telefoon. “Wij zijn een emancipatiebeweging en een getuigenispartij en we hebben ervoor gekozen om juist veel buitenparlementair te doen. We willen agenderen en zowel binnen als buiten de Kamer het bewustzijn over dierenrechten vergroten.”
Dan past het niet om bij alle vergaderingen aanwezig te zijn. Thieme probeert er wel te zijn bij alle fractievoorzittersdebatten. Ook is ze present als de Kamer onderwerpen bespreekt waarover grote maatschappelijke verontwaardiging bestaat. Om de parlementaire verantwoordelijkheden niet te verwaarlozen is in de tweehoofdige PvdD-fractie een taakverdeling afgesproken: Esther Ouwehand doet de debatten. Zij is dan ook fors meer aanwezig, namelijk 83 procent.
Dat blijkt uit een onderzoek dat NRC Handelsblad uitvoerde naar de aanwezigheid van parlementariërs in de periode 1994 tot nu. Voor het onderzoek baseerden we ons op de presentielijsten zoals die zijn opgenomen in de Handelingen. In die verslagen zijn de namen opgenomen van de leden die op die dag hun handtekening zetten op de zogenaamde ‘tekenlijsten’. Die liggen bij drie ingangen van het Tweede Kamergebouw.
De tekenlijsten dienen om te bepalen of de vergadering van start kan gaan. Daarvoor moeten 76 van de honderdvijftig volksvertegenwoordigers aanwezig zijn. Dit heet het ‘quorum’. Kamerleden die na aanvang van de vergadering binnenkomen, kunnen zich in de plenaire zaal alsnog melden bij de griffie.
Omdat de lijst alleen bedoeld is om te bepalen of de vergadering kan starten, vindt een aantal Kamerleden het tekenen ervan niet belangrijk. Het tekenen van de lijst is bovendien niet verplicht. Kamerleden krijgen ook geen tekenvergoeding zoals in het Europees Parlement. Wel is het goed gebruik om de lijst bij binnenkomst te tekenen. Zoals SP-Kamerlid Jan de Wit zegt: “Het is het eerste dat je nieuwe collega’s leert.”
Volgens Kamerleden wordt het tekenen van de presentielijst desalniettemin regelmatig vergeten. Veel gehoord: Kamerleden die via de fietsenkelder binnenkomen, tekenen niet aangezien daar geen lijst ligt.
Of neem Luuk Blom, die tussen 2002 en 2010 in de Kamer zat. Met zijn gemiddelde aanwezigheidspercentage van 62 procent is hij één van de minst aanwezige PvdA’ers. Naar eigen zeggen is dat te verklaren door zijn buitenlandportefeuille waarvoor hij veel op reis was. Daarnaast was hij niet ‘consciëntieus’ genoeg om de lijst iedere keer te tekenen, waardoor zijn naam af en toe twee weken lang niet in de Kamerverslagen voorkomt. “Ik was er dus wel. Ik was gewoon te laks om te tekenen denk ik.”
Laksheid. Voorzitter Anouchka van Miltenburg van de Tweede Kamer (sinds haar voorzitterschap 95 procent aanwezig tegen 80 procent voor die tijd) laat via een woordvoerder weten dat ‘het tekenen van de tekenlijst de verantwoordelijkheid is van de individuele leden.’ Meer wil ze niet over het onderwerp zeggen.
Alle (oud-)Kamerleden en deskundigen die NRC voor dit artikel sprak, benadrukken dan ook dat een naam op de presentielijst weinig zegt over het functioneren van een individueel Kamerlid. Ook willen ze geen uitspraken doen over een minimaal vereiste aanwezigheid

Uit de aanwezigheidscijfers blijkt dat Thieme niet de enige fractievoorzitter is die minder vergaderdagen bijwoont. Fractievoorzitters zijn over het algemeen minder aanwezig dan hun collega’s uit de fractie. Maxime Verhagen bijvoorbeeld was 62 procent aanwezig. Twintig procentpunt minder dan de CDA-fractie onder zijn leiding.
Oud-staatssecretaris Pieter van Geel (CDA) was fractievoorzitter van begin 2007 tot half 2010. Zijn aanwezigheid als fractievoorzitter was 51 procent. Opmerkelijk is dat hij als niet-voorzitter nog minder aanwezig was, namelijk 47 procent.
Ook Halsema maakte als fractievoorzitter van GroenLinks net iets meer dan de helft van de vergaderdagen mee. Voordat haar rol veranderde, was dat nog 86 procent. Halsema: “Dat ik als fractievoorzitter minder tekende heeft bijvoorbeeld te maken met een verhuizing. We gingen van de ene kant van het Kamergebouw naar de andere kant en bij die deur lag geen tekenlijst.”
Ze vindt een analyse van de tekenlijst geen geschikt instrument om af te lezen of ze functioneerde als Kamerlid, omdat die lijst louter dient om het quorum te halen. “Als je weet dat je die dag niet in de plenaire zaal hoeft te zijn en je hebt ook geen stemmingen, dan teken je niet, ook al ben je er wel. Iedereen weet dat ik ongelooflijk hard gewerkt heb als Kamerlid.”
Wel kan ze zich voorstellen dat de handtekening van fractievoorzitters minder op de presentielijsten prijkt. “Fractievoorzitters doen minder plenaire debatten dan andere Kamerleden. Je moet ook leiding geven aan de fractie en nadenken over de strategie. Bovendien moet je veel gesprekken voeren met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Dat maakt dat fractievoorzitters minder zichtbaar zijn in plenaire debatten. Dat laat je over aan de fractiespecialisten.”
Toch lijkt er wat veranderd. De aanwezigheid van de huidige fractievoorzitters van grootste partijen ligt aanmerkelijk hoger dan die van hun voorgangers, namelijk 18 procentpunt.
Sybrand van Haersma Buma, sinds oktober 2010 voorzitter van de CDA-fractie, is 75 procent aanwezig: minder dan zijn fractie, maar 13 procentpunt meer dan voorganger Verhagen.
Geert Wilders, fractievoorzitter van de PVV, blijkt in die functie zelfs meer aanwezig dan toen hij nog gewoon Kamerlid was voor de VVD. Wilders is niet alleen een van de langst zittende Kamerleden, maar hij is er ook altijd. Over zijn hele periode 94 procent.

Kamerleden komen zo’n honderd dagen per jaar bij elkaar voor plenaire vergaderingen. Uit de cijfers blijkt dat Tweede Kamerleden de meeste van die dagen goed bezoeken. De gemiddelde aanwezigheid ligt in de hele periode december 1994 tot nu op 85 procent.
Tussen 2002 en 2006 is er wel een dip in de opkomst te zien. Het zijn de jaren waarin de LPF in de Kamer zit. Die partij begint met een gemiddelde opkomst van 87 procent, maar zakt snel weg en kent daarna veel afsplitsingen. Over het algemeen komen leden van afsplitsingen een stuk minder opdagen bij vergaderingen. Dat geldt ook voor afsplitsingen van andere partijen. De Kamerleden die de LPF trouw blijven, herstellen zich iets in de jaren 2005 en 2006. De gemiddelde opkomst komt dan net boven de zeventig procent uit.
De dip in aanwezigheid blijft niet tot de LPF beperkt. Kamerbreed blijven meer zetels leeg dan in voorgaande periodes. Mogelijk ook een gevolg van de politieke onrust destijds. Kamerleden moesten meer hun gezicht in het land laten zien. Een andere verklaring is dat er relatief veel nieuwelingen de Kamer instroomden, zoals een enkel Kamerlid zegt. Zo zorgde Kamerlid Ali Lazrak, die er meer niet dan wel was, ervoor dat de gemiddelde aanwezigheid van de SP-fractie in die periode zakte tot onder de 70 procent. Overigens waren ook Piet de Ruiter (wegens ziekte) en fractievoorzitter Jan Marijnissen maar weinig in de Kamer te zien.
Nu zittende fractievoorzitters zijn vaker aanwezig dan hun voorgangers, maar daar blijft het niet bij: de hele Tweede Kamer blijkt vaker aanwezig te zijn. Het huidige parlement heeft zelfs een record geboekt. Tot nu toe was het zittende parlement gemiddeld 90 procent aanwezig op vergaderdagen. Het hoogste percentage in de hele periode sinds 1994.
Volksvertegenwoordigers en politicologen schrijven de hogere aanwezigheid in de afgelopen jaren toe aan de drukte in de Kamer. Het aantal debatten en stemmingen neemt toe (zie tabel). Het is crisis. Politicoloog Kristof Jacobs: “Tijdens Paars I en Paars II was het juist heel rustig. Het spotlight staat er meer op de laatste jaren, met alle debatten over crisis en bezuinigen. Het doet er nu wel toe.”
Met name van het stijgende aantal hoofdelijke stemmingen gaat een zekere dreiging uit. Anders dan bij reguliere stemmingen, telt bij hoofdelijke stemmingen namelijk de individuele aanwezigheid van ieder Kamerlid. De oppositie kan zo gebruik maken van de afwezigheid van collega’s uit het regeringskamp. Juist regeringspartijen moeten daarom zorgen dat te allen tijde het grootste deel van hun fractie in het gebouw is. Immers, als een regeringspartij niet voldoende stemmen kan leveren, maak je in de coalitie geen vrienden.
Nog dwingender zijn moties van wantrouwen. Als coalitiepartij moet je de ministers kunnen steunen als het moeilijk wordt. En omdat moties van wantrouwen per direct in stemming moeten worden gebracht – zoiets laat je tenslotte niet in de lucht hangen – moeten Kamerleden op vergaderdagen altijd in de buurt zijn, desnoods midden in de nacht.
Zo haalde PVV-Kamerlid Barry Madlener begin februari een stunt uit. Hij wilde midden in de nacht een motie van wantrouwen tegen premier Mark Rutte in stemming brengen. In allerijl werden Kamerleden wakker gebeld, maar omdat niet voldoende Kamerleden konden worden opgetrommeld, werd de stemming uitgesteld tot de volgende ochtend.
Dat de vergaderdruk toeneemt, is goed te zien in de opkomst per dag van de week. Traditioneel vinden de stemmingen vooral op dinsdag plaats. Die dag was altijd al het best bezocht en dat is nog steeds zo. Uit de aanwezigheidsstatistieken blijkt nu dat de woensdag en de donderdag de laatste jaren steeds belangrijker worden in het ritme van Kamerleden (zie tabel). Dit komt voornamelijk doordat Europa de afgelopen jaren meer aandacht vroeg. Grote Europese besprekingen vinden vaak in het weekend plaats. De donderdag is dan de laatste dag waarop de Kamer het Kabinet een boodschap mee kan geven.
Opvallend is dat linkse partijen vaker lege zetels hebben dan rechtse partijen. Het verschil is klein maar significant: 3 procentpunt over de afgelopen negentien jaar. In de Eerste Kamer is dat verschil er ook. Tussen grote en kleine partijen lijkt verder geen verschil in aanwezigheidspercentage te zijn.
Het verschil tussen links en rechts is te verklaren vanuit de taakopvatting van die politieke partijen. Zo is de SP opgericht om maatschappelijke problemen naar de Kamer toe te vertalen en streeft ook de PvdA een grote aanwezigheid in de regio na. Beide partijen vinden dat voor dergelijke bezoeken eventueel ook vergaderdagen gebruikt mogen worden.
Het lijkt er daarom op dat die toegenomen vergaderdruk voornamelijk linkse partijen raakt. Fractiesecretaris Ronald van Raak van de SP: “Als er vroeger op de donderdag een actie in de thuiszorg was, dan vloog je daar op af. Nu moet je rekening houden met stemmingen en debatten. De Kameragenda verandert vaak tijdens de week. En door de dreiging van hoofdelijke stemmingen is er op de dinsdag, woensdag en donderdag veel meer kans dat je teruggefloten wordt.”

Kamerleden die werkbezoeken plannen op vergaderdagen hoeven aan de rechterkant van het politieke spectrum op een stuk minder begrip te rekenen. Dat blijkt uit gesprekken met leden van het CDA en de VVD.
Zo plant CDA-Karmerlid Pieter Omtzigt zijn werkbezoeken altijd buiten de vergaderdagen om. “Een Kamerlid is er om wetten te maken en de regering te controleren,” zegt hij. “Dus als er een debat is waar jij als woordvoerder aanwezig moet zijn, dan moet je er zijn. Bij stemmingen ook, dat is de hoofdzaak.”
Maar ook Omtzigt is er soms niet op vergaderdagen. “Ik zit bijvoorbeeld namens de Kamer in de Raad van Europa zit. De bijeenkomsten daarvan vinden vaak doordeweeks plaats.”
René Leegte van de VVD, die vrijwel altijd aanwezig is, zegt zelfs dat er naast de drie vergaderdagen nog vier dagen in de week over zijn voor werkbezoeken. En Stientje van Veldhoven (D66) plant werkbezoeken altijd op maandag, vrijdag of in het reces.
Maar ook bij een heel hoge opkomst kunnen vraagtekens gezet worden. Politicoloog Joop van den Berg: “In de Tweede Kamer kom je nergens achter. Maatschappelijke ontwikkelingen spelen zich in de maatschappij af, niet in de Tweede Kamer. De aanwezigheid in het gebouw is daarom allerminst het hoogste goed.” Daar is Marianne Thieme het mee eens. “Als je blijft meemarcheren met traditionele politiek ga je niet de revolutie krijgen die je wilt.”

Publicatiedatum:
02/09/2013

Een plek terugvinden aan de hand van vakantiefoto

Tijdens het voorbereiden van een gastcollege over journalistieke research viel me op dat veel van mijn adviezen ook opgaan voor het zoeken naar een nieuwe liefde. De titel veranderde ik daarom in ‘Journalism & digital media skills – three ways to improve your love life‘.

Eén van mijn tips was dat je soms wat creativiteit moet gebruiken bij het zoeken. Lang niet alles laat zich immers vinden met een simpele text search in een zoekmachine. Mijn voorbeeld ging over het vinden van een geschikt café voor een eerste date.

Azul?

Stel, je bent ooit in een erg leuke bar geweest op een heuvel in Barcelona. Je wil graag een date meenemen naar die leuke bar, maar waar in de stad zat hij nou ook alweer? Het enige dat ik me nog kon herinneren was dat de naam iets was met blauw erin. Ik dacht dat het ‘Bar Azul’ was, maar op die naam zoeken in Google levert alleen een hotel in het midden van de stad op, dus zonder dat spectaculaire uitzicht. Dat was het dus niet.

Na wat graafwerk vond ik tussen mijn vakantiefoto’s één foto terug met daarop het uitzicht vanuit het café:

Op vakantie in Spanje, 2008.

Het leek me dat ik de plek wel terug zou kunnen vinden door dat uitzicht na te bootsen in Google Earth. Maar dat bleek nog niet zo makkelijk:

Uitzicht op Barcelona - maar waarvandaan precies??

Ik had een meer precieze methode nodig. Het viel me op dat de bar precies in het verlengde ligt van de Sagrada Familia en een groot wit gebouw op de voorgrond in de foto. Zou ik het café kunnen terugvinden als ik een rechte lijn trok tussen beide opvallende gebouwen?

Een lijn in Google Earth tussen Sagrada Familia en het Grote Witte Gebouw op de foto.

Door in te zoomen en de streep te volgen zou ik moeten kunnen vinden waar de foto was gemaakt. En jawel! Aan het eind van die lijn herkende ik de straat en het café:

Bingo! Mirablau, 'restaurante panorámico con vistas a Barcelona'.

Het adres was toen snel gevonden. Het café heet Mirablau (komisch hoe dat in mijn hoofd Azul werd) en is een echte aanrader vraag maar aan mijn vriendin.

Journalistiek, liefde en hiphop

Gastcolleges geven is erg leuk. Bovenstaand verhaal vertelde ik aan studenten van de Universiteit van Tilburg, in het kader van het vak ‘Journalism & digital media skills’. Het is een aardig voorbeeld van hoe je bij journalistieke research verder komt als je meer bronnen gebruikt dan alleen zoekmachines en Wikipedia.

Een paar keer per jaar geef ik les aan studenten van de Hogeschool Rotterdam. Ik verzorg cursussen als Journalistieke Vaardigheden en Schrijven voor het Web. Naast de journalistiek bejubelen in de vorm van liefdeslessen, haal ik soms rap en hiphop erbij om uit te leggen je goede teksten schrijft.

 

 

Publicatiedatum:
06/03/2013

Thuisafgehaald.nl: cateraars in spe gebruiken buren als springplank

Op Thuisafgehaald.nl verkopen particulieren hun zelfgekookte maaltijden aan buurtgenoten. Het is hun hobby en ze doen het voor de bedankjes. Maar voor sommigen is Thuisafgehaald meer dan dat: een springplank voor hun eigen cateringbedrijfje.

Koken voor mensen uit de buurt is dankzij Thuisafgehaald.nl een groot succes. Al bijna vijfduizend mensen verkochten ruim 30.000 maaltijden op Thuisafgehaald.nl, meldt de site. Voor de meesten is het een leuke manier om anderen te laten genieten van hun kookkunst. Gewoon om de hobby dus, voor niet meer dan de kostprijs (vaak ergens tussen de 1,50 en 6 euro) en een bedankje.
Dat neemt niet weg dat sommigen het groots aanpakken. ‘Leonandthegirls’ in Leidschendam heeft een menukaart waar wel negentig gerechten op staan. Hij staat in de top 20 ‘fanatiekste thuiskoks’. De twintig mensen op dat lijstje verzorgden samen ruim een derde van alle maaltijden die via Thuisafgehaald werden uitgewisseld.

Rij voor de voordeur
De meest fanatieke thuiskok is Frank (53) uit Rosmalen. Hij werkt ‘s nachts als beveiliger in het ziekenhuis. Eens per week staat zijn huiskamer tegen etenstijd vol afhalers. “Vandaag zijn het er 35, maar vaak zijn het er zestig of zeventig. Dan staat er een rij voor de voordeur.” Sinds juni vorig jaar verkocht hij al zo’n 1.200 porties via de site. Dat is niet alles, want inmiddels weten zijn buren hem ook al buiten de site om te vinden.
Deze avond serveert Frank rendang, met witte rijst, rundvlees, atjar en zelfgebakken kroepoek. Frank is twee of drie dagen bezig om het allemaal voor te bereiden. Zijn Indische schoonmoeder schept de witte rijst uit een grote roze plastic teil. “Koken is mijn passie. Van haar leer ik de fijne kneepjes.”

Aspiraties
Wil hij dit niet professioneel gaan doen? “Welnee, dan is het niet leuk meer. Kan ook niet voor die prijs hè, dan moet je 9 euro gaan vragen. Nou, dan staan ze echt niet meer in de rij hoor. Stiekem vind ik het wel leuk als ik er een klein beetje aan overhoud, maar daar gaat het niet om. Het is zó leuk om te doen, door alle reacties en die stoet mensen.”
In de voorwaarden van Thuisafgehaald.nl staat ook dat het niet de bedoeling is dat professionele bedrijven maaltijden aanbieden. Het moet kleinschalig blijven en sociale contacten tussen buurtbewoners stimuleren. De thuiskoks uit de top 20 zoals Frank zijn dan ook uitzonderingen.

Springplank voor eigen bedrijfje
Toch is het platform een mooie springplank om de catering in te gaan. Fay Verbrugh (27) is haar cateringbedrijf begonnen dankzij Thuisafgehaald.nl. Ze staat nog wel op Thuisafgehaald (‘voor de vaste klanten’) maar sinds 1 januari heeft ze haar eigen catering: Fay’s Foodies. Ze had al vijf avonden in de week zo’n tien afhalers, en daar  is nu de catering bijgekomen, taartjes voor verjaardagen en paar keer per maand sushi-workshops. Het gaat heel goed.
“Ik had altijd al aspiraties. Nadat ik een zoontje kreeg stond alles een beetje op pauze, maar in september gaf ik me op voor Thuisafgehaald.nl. Dat liep meteen zó hard! Zo kwam ik erachter dat er wel iets in zat. Positieve reacties van vreemden is toch echt iets anders dan familieleden die zeggen dat het zo lekker is.”

Meer cateringsbedrijven in crisistijd
Veel mensen lopen rond met plannen voor een eigen catering. Ondanks de crisis stijgt hun aantal zelfs. Of misschien juist dóór de crisis – mensen die ontslagen worden en dan maar hun dromen gaan verwezenlijken. Sinds 2007 kwamen er 1.675 cateringbedrijven bij, blijkt uit cijfers van het CBS. Het aantal horecabedrijven steeg in die periode ook wel, met 11 procent, maar de catering groeide percentueel gezien nog veel harder: 36 procent meer bedrijven in vijf jaar.
Verbrugh: “Eerst met de baby was het gewoon leuk en een beetje bijverdienen, maar dat hoort eigenlijk niet via Thuisafgehaald. Voor de belasting is het ook niet echt de bedoeling, dus toen ben ik maar voor mezelf begonnen.”

Valse concurrentie
Vormen de thuiskoks geen valse concurrentie voor de professionele cateraars en afhaaltenten? Johanneke de Roon (35), voormalig belastingadviseur, kookt bijna elke dag voor afhalers. Het valt wel mee met de valse concurrentie voor de friettent, denkt ze. “We zitten niet in hun vaarwater. Mensen zullen door ons eerder minder kant-en-klaarmaaltijden van de supermarkt kopen.”
Heeft Fay’s Foodies nu geen valse concurrentie van die goedkope thuiskoks? “Het gaat toch gewoon om hoe goed je bent. Bij mij in de Archipelbuurt in Den Haag komen er wel meer aanbieders bij, maar ik heb er geen last van. Door Thuisafgehaald heb ik al sinds de eerste dag een vaste clientèle.”

Voedselveiligheid
Professioneel werken betekent wel dat ze het wat anders moet aanpakken: “Je moet producten stickeren en op volgorde bewaren. Vlees niet boven de groente bewaren en ingrediënten apart houden. Ik heb hogere hotelschool gedaan en
daar geleerd over voedselveiligheid en hygiëne, dus voor mij was dat geen probleem.”
Hoe zit met de voedselveiligheid bij Frank? “Ja dat is de volgende stap hè. Ik heb al een nieuwe koelkast gekocht.” Hij laat de koelkast met glazen deur zien. Tegen naheffingen van de belastingdienst heeft hij zich ook al ingedekt. “Door alle kookstellen en de extra koelkast geef ik wel 25 euro per week extra uit aan gas en stroom. Het eten is maar tegen kostprijs, maar ik dien toch btw-aangifte in. Anders krijg je maar een hoop gezeik. En dan kunnen buurman de Chinees en buurman cafetaria ook niks zeggen.”

Publicatiedatum:
22/02/2013

Autonome auto’s: rustig sms’en achter het stuur

Robots zijn overal. Ze worden slimmer, zelfstandiger en mogen steeds meer beslissen. Op één vlak nemen ze binnenkort letterlijk het stuur van ons over: in het verkeer.

Op een parkeerplaats achter de faculteit Werktuigbouwkunde van de Technische Universiteit Eindhoven staat een bijzondere vrachtwagen. De rode DAF-truck ziet er normaal uit, maar toch staat hier de toekomst van het vrachtverkeer. Dankzij wat sensoren en een extra computer achterin de cabine, kan deze vrachtwagen remmen en gas geven, zonder tussenkomst van een chauffeur.
Boven de spiegel aan de bijrijderkant is bovendien een korte, witte antenne gemonteerd. Daarmee kan de truck communiceren met andere slimme auto’s. Voorliggers kunnen een seintje geven als ze afremmen, waarop de computer van de truck direct kan reageren, veel sneller dan een chauffeur zou kunnen.
Dat heet coöperatief rijden. De student die het portier opent, studeert er op af. Door auto’s zelfstandiger te maken, kun je de menselijke fouten uit het verkeer halen, vertelt hij. Auto’s die elkaar op de hoogte houden, kunnen dichter op elkaar rijden, zonder dat het risico van een botsing toeneemt. Het systeem zorgt voor meer veiligheid, lager brandstofverbruik en een efficiënter gebruik van de weg.

Binnen zit hoogleraar ‘dynamics & control’ Henk Nijmeijer in zijn kantoor vol stapels papier én een grote autoband in de hoek. In zijn vakgebied worden voertuigen die tijdens het rijden met elkaar overleggen pelotons genoemd, een konvooi vormen heet platooning. ‘Dat kunnen we inmiddels. In ieder geval in testsituaties. Er zijn geen voeten meer nodig om gas te geven. Nu willen we ook de handen van het stuur.’
Dat moment is niet meer ver weg. Auto’s zijn de laatste jaren ‘denkende’ machines geworden. Navigatiesystemen vertellen niet alleen waar je heen moet, maar ook of je te hard rijdt. Nissan kwam in 2001 als eerste met een systeem dat het stuur laat trillen om de bestuurder te waarschuwen als hij de eigen weghelft verlaat.
Maar de slimmigheid gaat steeds verder. De meeste intelligente systemen in auto’s zijn nu nog bedoeld om de bestuurder te informeren. De volgende stap bestaat uit auto’s die actief meedenken en zelfs taken overnemen.
Sommige modellen hebben bijvoorbeeld een ingebouwde parkeerassistent, die met piepjes en camerabeelden laat weten hoeveel ruimte er nog zit tussen achterbumper en een paaltje. Maar waarom zou je inparkeren überhaupt nog overlaten aan de bestuurder? Er zijn al auto’s op de markt, zoals de Ford Focus en Audi A3, die volautomatisch kunnen fileparkeren. Je hoeft er soms niet eens meer voor achter het stuur te blijven zitten.
Veel merken bouwen tegenwoordig een ‘pre-crash-systeem’ in: auto’s met zo’n systeem waarschuwen de rijder voor een aanstaande botsing. Maar het blijft al niet meer bij eenvoudig waarschuwen. Sommige auto’s schakelen de remmen in om een ongeluk te voorkomen, nog voordat de bestuurder de situatie heeft kunnen inschatten.

Ditsum
Het trotse centrum van Nederlands automotive-onderzoek bevindt zich in Helmond. Automotive Campus NL is een bedrijventerrein dat er misschien niet spectaculair uitziet, maar waar spannend onderzoek wordt gedaan. DITCM, de Dutch Integrated Test Site for Cooperative Mobility (door medewerkers gemakshalve uitgesproken als ‘Ditsum’), is dé plek waar bedrijven, overheid en onderzoeksinstituten samen werken aan de zelfstandige auto van de toekomst.
Het coöperatief rijden wordt uitgebreid getest op het circuit van het onderzoekscentrum. Maar ze gaan ook al de openbare weg op.
Vlakbij de automotive campus ligt een bijzonder stukje snelweg, de A270 tussen Helmond en Eindhoven. Over vijf kilometer staat elke honderd meter een witte paal met antennes en een camera. DITCM heeft met de gemeente afgesproken dat ze een paar keer per jaar dat stuk mogen afsluiten om er tests te houden.
In het buitenland maakt dat behoorlijk indruk, vertelt Joëlle van den Broek, voor TNO projectleider van DITCM: ‘De collega’s van het Duitse testcentrum vielen van hun stoel toen ze hoorden dat wij een stuk snelweg mogen afsluiten. Zeker toen we vertelden dat we met auto’s rijden die nog niet gründlich zijn getest, en zelfs met vrijwilligers… Dat zou daar echt niet kunnen. Daarom is DITCM zo aantrekkelijk. Wij proberen dingen gewoon uit.’
In de controlekamer van TNO hangen monitoren die testgegevens en live beelden van het verkeer laten zien. Vorig jaar sloten de onderzoekers een paar keer de snelweg af om kunstmatig files te creëren. Van den Broek: ‘een derde van alle files ontstaat doordat mensen steeds iets langer remmen dan de auto voor ze. Zulke schokgolven kun je voorkomen.’
Hoe goed dat lukte, was voor de onderzoekers een grote verrassing. Ze gingen ervan uit dat de meeste auto’s intelligentie aan boord zouden moeten hebben om spookfiles te voorkomen. Uit de experimenten op de A270 bleek dat al bij tien tot twintig procent slimme auto’s het verkeer veel beter door te stromen.

Autonoom
In een grote, bijna lege hal, staan auto’s waar TNO mee experimenteert. Voor het coöperatief rijden paste TNO zes Priussen van Toyota aan. Bastiaan Krosse, programmaleider Cooperative Driving van TNO, start een Prius en rijdt de elektrische auto bijna geruisloos naar voren. Hij laat het schermpje in het dashboard zien waarop hij uit drie typen cruise control kan selecteren: ‘Priussen krijgen in de fabriek al normale cruise control en adaptive cruise control ingebouwd. Wij hebben daar dus cooperative adaptive cruise control aan toegevoegd, de virtuele stang tussen auto’s.’
Zulke uitbreidingen zijn verbazingwekkend gemakkelijk in te bouwen. Net als veel andere moderne auto’s is de Prius zo geavanceerd, dat er amper gesleuteld hoeft te worden, vertelt TNO-onderzoeker Bart Scheepers. ‘We hebben een wifi-zender toegevoegd voor de communicatie, maar verder bijna niks. Een radar, GPS-ontvanger, alles zit er al in.’
Hij laat de achterbak van de Prius zien: er liggen een paar kleine zwarte kastjes met knipperende lampjes in. ‘Voorheen moesten we een auto helemaal ombouwen. De achterbak van zo’n auto lag dan helemaal vol met regelcomputers en andere apparatuur. Nu kunnen we in een à twee dagen een standaard Prius ombouwen tot een coöperatief rijdende auto.’

Maar als de technologie al zo vergevorderd is, hoe lang duurt het dan nog voordat auto’s ons echt helemaal zelfstandig kunnen vervoeren? De directeur van autofabrikant Volvo, Stefan Jacobi, zei tijdens een autobeurs in juni dat het hard nodig is dat auto’s zelf gaan rijden. Anders wil de volgende generatie misschien helemaal geen auto meer, denkt hij: ‘Tieners zien de bestuurdersplaats als een plek waar ze niet steeds online kunnen zijn. Velen van hen vinden voortdurend verbonden zijn belangrijker dan het hebben van een rijbewijs en een auto.’
De huidige situatie moet dus worden omgekeerd: geen campagnes om mensen te vragen niet te sms’en en te bellen tijdens het rijden, maar auto’s die dat gewoon mogelijk maken door de besturing over te nemen. Volvo heeft bekendgemaakt in 2014 met een autonoom systeem te willen komen. De auto zou zelf kunnen rijden in verkeer tot vijftig kilometer per uur. Vooral het filerijden zou de bestuurder uit handen worden genomen. Cadillac wil in 2015 met een autonome auto de openbare weg op.

Dure sensoren
Google is al zo ver. Het internetbedrijf kreeg in Californië en Nevada toestemming om met een autonome auto op de openbare weg te rijden. Maar die auto kost een miljoen dollar en dat is volgens de onderzoekers in Brabant niet de manier. Scheepers: ‘In die auto kun je echt achterin gaan zitten. Maar hij is uitgerust met ontzettend dure sensoren. Er moeten nog heel veel stappen gezet worden om tot productiemodellen te komen. Wij kijken veel meer naar de korte termijn en betaalbare systemen.’
Maar volledig autonoom rijden gaat dus ooit kunnen? Professor Nijmeijer gelooft er niet écht in: ‘Een auto vol sensoren en computers kun je best autonoom laten rijden. Maar alles van tevoren doorrekenen kan niet. De wereld is zo complex en dynamisch. Wat als je op een tweebaansweg rijdt, het stormt, er zijn auto’s aan het invoegen en de communicatieverbinding valt weg? Er zijn altijd situaties waarvoor je niet alle informatie hebt.’
Joëlle van den Broek van TNO: ‘Je zult nooit altijd autonoom kunnen rijden. Het hangt ook af van je definitie: wat is autonoom? In ieder geval gaat het sneller dan we dachten. Eerst dachten we dat autonoom rijden pas zou kunnen in 2040. Nu houden we het op 2020.’

In Rotterdam rijdt al een busdienst zonder chauffeur, de Parkshuttle. Wel op een vrije busbaan, want de Nederlandse wet stelt een chauffeur verplicht als het traject niet gescheiden is van het verkeer. In 2005 botsten twee bussen op elkaar na een fout van de centrale. De software die aanrijdingen moest voorkomen, bracht de voertuigen niet snel genoeg tot stilstand. Die was namelijk ingesteld op stilstaande obstakels, niet op rijdende collega’s.
Hét grote obstakel op de weg naar autonoom rijden is veiligheid. Daarom richt het meeste onderzoek zich op de betrouwbaarheid. Bastiaan Krosse van TNO weet daar als projectmanager van de afdeling ‘vehicle safety’ veel van: ‘Er zijn Europese organisaties bezig met bedenken hoe je auto’s kunt gaan certificeren voor de weg. Ze formuleren waar de auto tegen moet kunnen en bij welke scenario’s de inzittenden er nog zelf uit kunnen kruipen. Dan kun je gaan testen. Wat je moet doen, is heel veel kilometers maken. ‘
Mensen zullen pas in een volautomatische auto durven stappen als die geen rare dingen doet. Krosse: ‘We verwachten van een robot veel meer. Als hij het maar iets beter doet dan een mens, dan is hij al nuttig. Maar als een robot iemand doodrijdt, dan vinden we dat veel erger dan wanneer een dronken chauffeur dat doet. ‘
Ergens is zulk wantrouwen gek, vindt hij: ‘We zijn vaak bang voor iets dat we elders al normaal vinden. We stappen wel allemaal in een vliegtuig dat de grootste deel van de tijd op de automatische piloot vliegt. ‘ Tests van producenten laten alvast zien dat mensen heel snel wennen aan een auto die het sturen uit handen neemt.

Automatiseringsverslaving
Het voorbeeld van de automatische piloot in vliegtuigen illustreert nog een interessant probleem voor de toekomst. De Amerikaanse luchtvaartautoriteit FAA waarschuwde onlangs dat piloten langzaam maar zeker vergeten hoe ze moeten vliegen. Ze vertrouwen zo veel op de boordcomputer, dat ze zelf onvoldoende ervaring hebben als het erop aankomt. Een voormalig piloot en FAA-official had het zelfs over ‘automatiseringsverslaving’. Stromen onze wegen straks vol met onervaren chauffeurs? En is dat erg?
Het is niet het enige futuristische probleem dat robotauto’s met zich meebrengen. Wat nu als je achteroverleunt op de snelweg, helemaal vertrouwend op de software… en iemand heeft je auto gehackt? Krosse: ‘Gelukkig zijn we ook bezig met cybersecurity. Zulke gevaren zijn niet alleen een risico, maar ook een markt. Het is gewoon iets dat je moet oplossen. ‘
De bestuurder moet in ieder geval altijd kunnen ingrijpen. Nieuwe auto’s zoals de Prius komen de fabriek uit met een koppelsensor in het stuur. Daarmee kan de auto voelen wanneer de mens weer de macht grijpt.

In de autowerkplaats van de TU Eindhoven staat een autonome robot in aanbouw. Delen van het chassis van koolstofvezel liggen erom heen, maar het frame en de banden zijn onmiskenbaar: een Formule1-auto. Over twee jaar moet hij helemaal klaar zijn en autonoom rondjes over het circuit kunnen racen. ‘Het is een proof of concept, ‘ vertelt student Albert Maas. ‘Op een circuit is het veel makkelijker om auto’s zelfstandig te laten rijden. Er zijn geen kruispunten, geen stoplichten en geen voetgangers. ‘
De ingenieurs in de Formula Student – een race competitie voor aanstaande ingenieurs – hebben serieuze doelen. Over drie jaar moet de racewagen niet alleen klaar zijn en rijden op bio-ethanol – hij moet ook de echte Formule1-coureurs verslaan, soeverein én geheel autonoom. Behoorlijk ambitieus, geeft Maas toe. ‘Absoluut. Maar ja: durf te dromen. ‘

Box: Wegen vol lege auto’s

Willen we dat eigenlijk wel, zelfsturende auto’s? Lambèr Royakkers, universitair hoofddocent Ethiek en Techniek aan de TU Eindhoven, twijfelt daar niet aan: “Je krijgt er veel vrijheid voor terug. Je kunt naar een feest gaan en meer biertjes drinken, want de auto rijdt je naar huis.” De extra veiligheid zal het uiteindelijk winnen van onze angst voor robots: “Ik verwacht dat de techniek over tien tot vijftien jaar zo goed is, dat de politiek het autonoom rijden zal willen toelaten. Het zal zeker een keer gebeuren dat een automatische auto een kind zal doodrijden, maar statistisch zullen ze minder ongelukken veroorzaken dan mensen.”

Zal de overheid autonoom rijden dan ook verplichten, net als de autogordel? “Om het aantal verkeersdoden te verminderen, zal de EU op termijn verplicht stellen dat auto’s zelf afstand houden en remmen voor voorliggers. Misschien is het daarna niet meer gek als we niet zelf meer mogen rijden. Wil het systeem echt goed functioneren, dan moet je zorgen dat er geen mens meer aan te pas komt. Maar dan zijn we zeker twintig jaar verder. De auto’s moeten zich eerst bewijzen.”

Als auto’s zichzelf gaan besturen, wie is er dan eigenlijk schuldig bij een ongeluk? “Nieuwere auto’s hebben al een ‘black box’, het eCall-systeem. Daarmee kun je goed achterhalen of de auto het ongeluk veroorzaakte, of bijvoorbeeld haperende stoplichten. De politiek zou het moeten aandurven om juridisch vast te stellen wat de auto moet kunnen. Dan ligt de verantwoordelijkheid voor de gevolgen niet meer bij de producenten en kunnen zij aan de slag.”

De verwachting dat autonoom rijden zal zorgen voor minder files en minder milieubelasting, vindt Royakkers ‘totale onzin’: “Een autonome auto staat niet van negen tot vijf op één plek. Tijdens je werk kun je hem op weg sturen om bijvoorbeeld de kinderen naar hun sportclub te brengen. Zo komt er juist meer verkeer! Ik denk dat vijftig procent van de ritten lege auto’s zullen zijn.”

Publicatiedatum:
10/01/2013

Page 2 of 4

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén