Eerlijke Media

journalist en maker Jaap Meijers

Categorie: Schrijven (Page 1 of 2)

Na een botsing kan de auto nu zelf 112 bellen

Vanaf 1 april 2018 moeten alle nieuwe auto’s zélf de alarmcentrale kunnen bellen na een botsing. Wel zo veilig, maar ook nog een beetje wennen. Ik ging voor het blad Management Team op reportage naar de alarmcentrale van Citroën in Luik, om te horen hoe mensen reageren als na een botsing hun auto tegen ze begint te praten.


Na een auto-ongeluk is de bestuurder niet altijd in staat zelf 112 te bellen. Veel nieuwe auto’s kunnen zélf de alarmcentrale bellen na een botsing. Wel zo veilig, maar ook nog een beetje wennen. “Is het een stem uit de hemel?”

Extreme gladheid zorgde op 7 januari vorig jaar voor honderden ongelukken. Eén van de getroffen bestuurders was een 47-jarige man die had besloten de sneeuwval en ijzel te trotseren om toch naar zijn werk te gaan. Op de A15 raakte zijn auto van de weg, en toen gebeurde er iets dat je niet verwacht in ons land en in deze tijd: niemand had door dat er een ongeluk was gebeurd. Ondanks ons drukke verkeer, de mobiele datanetwerken en camera’s die de wegen in de gaten houden, duurde het een paar uur voordat hij gevonden werd. Een machinist van een passerende trein zag de auto ondersteboven in de sloot liggen, maar toen was het voor de automobilist al te laat.

Om dit soort situaties te voorkomen, wil de Europese Unie dat vanaf komend voorjaar alle nieuwe auto’s worden uitgerust met eCall. Met dat systeem kunnen auto’s zélf de alarmcentrale bellen als er iets aan de hand is. Als het systeem een aanrijding detecteert, belt het direct het alarmnummer en geeft ondertussen via SMS gegevens door, zoals waar de auto zich bevindt. De bestuurder kan ook zelf een SOS-knop indrukken. De verwachting is dat eCall levens zal redden, doordat hulpdiensten sneller ter plaatse kunnen zijn.

Vanaf april komend jaar moeten alle nieuwe auto’s eCall aan boord hebben en bij een ongeval zelf 112 kunnen bellen. Verschillende autofabrikanten bieden het systeem echter al jaren aan. Volvo, BMW, Ford en Opel hebben allemaal een eigen variant. Citroën biedt al sinds 2006 eCall aan. Sommige auto’s (de luxere modellen zoals DS 5) hebben de optie standaard; bij andere modellen kost eCall 300 euro extra. De optie wordt grif afgenomen, vertelt persvoorlichter Anne Lobbes van Citroën Nederland.

Nu gaan de automatische oproepen nog niet naar 112, maar naar callcenters die autoproducenten daarvoor inhuren. Het bedrijf IMA verzorgt de alarmcentrale voor PSA Peugeot Citroën. Andere automerken werken met vergelijkbare bedrijven zoals Europe Assistance en Allianz Global Assistance. Wie de ‘meldkamer’ van IMA in het Belgische Luik binnenloopt, ziet niet zo veel bijzonders. Gewoon een rustig kantoor met mensen aan bureaus, sommigen met headsets op. Toch is dit de plek waar alle oproepen binnenkomen van auto’s van Citroën en Peugeot in de Benelux. Er werken 33 Vlamingen, Walen en Nederlanders die allemaal ten minste Nederlands en Frans spreken. Overdag zijn er steeds twee mensen om de oproepen te beantwoorden, ’s nachts is dat er één.

Het moet een vreemde ervaring zijn; je hebt net een auto-ongeluk gehad, probeert te begrijpen wat er gebeurd is, en dan hoor je ineens dat iemand via de luidsprekers van je auto tegen je begint te praten. Die stem zou van Anne Laurent kunnen zijn, ‘manager plateau’ van IMA, meewerkend chef van de telefonisten. “Sommige mensen schrikken heel erg. Het hangt ervan af of de garage ze heeft uitgelegd dat het systeem erin zit. Je hoort dat ze verbaasd zijn. ‘Is het een stem uit de hemel?’ Een paar dagen geleden had ik een paar toeristen in een huurauto in Amsterdam die riepen ‘The car is talking!’”

Tijdens de spits komen de meeste oproepen binnen. Op maandagochtend en op vrijdag is het drukker, als er veel auto’s op de weg zijn. Vrijdagnacht en zaterdagnacht zijn de drukste nachten, doordeweek is het ’s nachts rustig. Dan zijn er hooguit één of twee oproepen. Als er een oproep binnenkomt, ziet de operator op zijn of haar scherm of er een botsing was, waar de auto is geraakt, of de airbag is afgegaan, of het een automatische oproep is of dat er op de knop is gedrukt. eCall geeft ook het chassisnummer van de auto door, zodat bekend is naar wat voor kleur en type auto hulpdiensten eventueel moeten uitkijken. Met een Google Maps-kaartje is precies te zien waar de auto is. Die GPS-locatie is geen overbodige luxe, weet Anne Laurent. “Negen op de tien mensen weten helemaal niet waar ze zijn. Als je vraagt ‘waar bent u’ dan zeggen ze ‘ik zie een boom, en een huis’.”

Het eCall-systeem levert wel vaker wonderlijke situaties op, vertelt manager Henri van de Kraats. “Een auto was in de Franse Alpen uit de bocht gevlogen. Niet helemaal het ravijn in, maar hij lag toch een paar meter lager naast de weg. De auto belde ons, maar de bestuurder zei dat hij niet gewond was. Vervolgens schoot tijdens dat gesprek een andere auto óver die auto heen.” Een dubbele oproep is ook al eens voorgekomen, van een Peugeot en een Citroën die met elkaar in botsing waren gekomen. De telefonisten die de auto’s aan de telefoon hadden, zaten in de meldkamer naast elkaar.

De telefonisten van IMA krijgen een speciale training van een bedrijf dat ook mensen van de brandweer opleidt. Twee keer een halve dag, waarin aandacht wordt besteedt aan stressbestendigheid en informatie over hoe je iemand bij bewustzijn houdt. Nieuwe medewerkers doen eerst alleen de assistence-oproepen, van automobilisten die bijvoorbeeld met een lekke band staan. Dat is in Citroëns een aparte knop. Pas na een jaar mogen ze ook de headset opzetten voor de oproepen via de rode knop in de auto’s. “De eerste eCall is het engst,” zegt telefonist Samuel Lugurero, die nu al ruim zes jaar eCall-oproepen aanneemt. Als nieuwe operators dat eerste gesprek doorstaan, dan doen ze het werk vaak jarenlang. Toch kan niet iedereen tegen dit werk. Eén medewerkster raakte na een zwaar ongeval tijdens haar dienst zo getraumatiseerd, dat ze niet meer aan de slag is gegaan.

Anne Laurent en Samuel Lugurero praten er vrij nuchter over, maar desgevraagd geven ze toe dat het zwaar werk is. Lugurero: “Soms krijg je iemand aan de lijn die duidelijk pijn heeft, die je alleen hoort kreunen. Op dat moment moet je kalm blijven en de klant helpen. Daarna neem je even pauze.” De leden van het team steunen elkaar na zulke ervaringen, door te praten over wat ze meemaken. Familie en vrienden geloven niet altijd dat het heftig kan zijn. ‘Je zit toch achter een bureau? En je hoeft alleen de telefoon op te nemen!’
Wat wel helpt, is de bevrediging die het werk biedt, meent Henri van de Kraats. “Het is geen callcenter hè, het is veel meer. Het is een alarmcentrale. Je helpt mensen, dat voelt goed.”

Wat het niet per se makkelijker maakt, is dat het vanwege privacy-wetgeving niet is toegestaan om naderhand uit te zoeken hoe het is gegaan met mensen die de telefonist aan de telefoon had. De medewerkers van de centrale weten dus niet of slachtoffers het na een aanrijding gehaald hebben. Lugurero vertelt over een collega die op zijn scherm zag dat er een ongeluk was geweest, maar via de telefoon alleen een baby hoorde huilen. “De ouders reageerden niet. We weten niet hoe dat is afgelopen. Soms is dat frustrerend, je wilt eigenlijk weten of het goed is gekomen.”

Heel soms horen ze toch nog iets over een melding. “Een man die geen voorrang kreeg op een kruispunt en werd aangereden, hoorde ineens een stem en begreep niet waar die vandaan kwam. Hij besefte niet dat zijn auto het eCall-systeem had. Hij was zo blij dat we hem geholpen hadden, dat hij later opnieuw belde om ons te bedanken.”

Zulke feedback zal vaker te horen zijn naarmate meer auto’s eCall ingebouwd zullen hebben. Een vrouw vertelde op Facebook al over de aanrijding in december 2015. Ze werd, met haar zoon in de auto, aangereden door een automobiliste van 71. Volgens het Haarlems Dagblad was de automobiliste “te dronken om een verklaring af te kunnen leggen.” Het slachtoffer vond de manier waarop het ongeluk in de krant terechtkwam ergerlijk: “Ik lees niets over het wonder dat de auto waarin ik reed automatisch 112 voor mij belde.”

Niet dat een eCall-oproep altijd een ernstig ongeluk is. Een van de eerste eCall-oproepen die een nieuwe medewerker moest afhandelen, was een automobilist die wou melden dat er een paard op de snelweg liep. En soms krijgen de telefonisten mensen aan de lijn die duidelijk teveel gedronken hebben en net tegen een paaltje zijn gereden. Lugurero: “Nee, die willen niet dat we de politie bellen. En als de klant zegt ‘niet bellen’, dan bellen we niet.” Het zegt iets over hoe de wereld eruit gaat zien als alle auto’s uit zichzelf hulpdiensten kunnen alarmeren. Het is al een paar keer voorgekomen dat iemand die doorreed na een ongeluk toch opgespoord kon worden via de eCall-oproep die was gedaan. In mei werd in Noord-Ierland een dronken bestuurder opgepakt nadat zijn Ford Fiesta de politie had gealarmeerd, en twee jaar geleden werd in Florida een vrouw gearresteerd. eCall had doorgegeven dat haar airbags waren afgegaan, maar tegen de 911-operator ontkende ze iemand geraakt te hebben. Ze bekende toen de politie toch even kwam kijken, haar zwaar beschadigde auto zag mét verfresten erop in dezelfde kleur als de auto die van achteren was aangereden.

In het callcenter van IMA zet Samuel Lugurero zijn headset op omdat er een eCall-melding binnenkomt, maar doet hem bijna meteen weer af. “Het was een garage die het systeem wou testen.” Dat komt vaker voor; autoverkopers willen graag aan potentiële kopers laten zien hoe mooi het systeem werkt. Zo zijn heel veel eCall-oproepen niet écht urgent: maar liefst 89 procent is vals alarm. Het kan zijn dat een hond op de rode knop gaat staan, of dat een kind gewoon alle knoppen van de auto indrukt. Er zijn ook mensen die het systeem even willen testen, of schoonmakers die per ongeluk de knop indrukken. Meestal weten ze niet waar ze op gedrukt hebben en schrikken ze als ze ineens een stem horen.

IMA geeft alleen echte ongevallen door aan de hulpdiensten, maar er zijn situaties waarin niet direct duidelijk is wat er aan de hand is. Van de 498 oproepen die IMA in 2015 binnenkreeg van Nederlandse Citroëns, waren twintig oproepen ‘silent calls’: oproepen waarbij het stilblijft aan de andere kant. Dat is voor de telefonist een nare ervaring, maar ook een lastige keuze. Moet de stilte worden beschouwd als een vals alarm, of juist als een ernstig ongeval waarbij de bestuurder niet aanspreekbaar is? Er zijn meer twijfelgevallen, zegt Henri van de Kraats. “We kregen een keer een kleuter aan de lijn die zei ‘mijn moeder is al zo lang weg’. Best kans dat er niks aan de hand is, maar ja, je hoort ook wel dat mensen hun kind te lang in een hete auto laten zitten. Toen hebben we toch maar de politie gebeld.”

De centrale in Luik fungeert nu dus nog als filter voor de KLPD, waar het percentage vals alarm volgens Van de Kraats ook tegen de negentig procent zit. Met de snelheid waarmee het Nederlandse wagenpark wordt vernieuwd, zal het wel 15 tot 20 jaar duren voordat álle auto’s eCall aan boord hebben. Toch vraagt hij zich ernstig af of de politie zich wel realiseert wat er op ze afkomt. IMA kreeg in 2015 8.000 eCall-oproepen van Peugeots en Citroëns in de Benelux. Niet alleen die oproepen zullen vanaf april komend jaar uitkomen bij 112, maar ook die van alle andere automerken. Zeker op dagen dat het glad is zullen er honderden extra telefoontjes binnenkomen van auto’s die in kop-staart-botsingen terechtkomen of tegen een paaltje aan glijden. Zal de nationale alarmcentrale al die extra oproepen wel aankunnen? In januari 2017 raakte de landelijke meldkamer in Driebergen nog onbereikbaar door een stroomstoring in Amsterdam, waardoor vier keer meer oproepen bij 112 binnenkwamen dan normaal. Als we een woordvoerder van de nationale politie vragen hoe de meldkamer wordt voorbereidt op de eCall-oproepen, zegt hij: “Wat? Ik heb geen idee waar je het over hebt.” Een woordvoerder van het ministerie van Justitie en Veiligheid laat weten dat de politie in ieder geval geen extra maatregelen neemt. “We verwachten niet heel veel extra oproepen, in verhouding tot het totaal aantal oproepen dat de meldkamers nu al ontvangt. Extra capaciteit is dus niet nodig.” In principe zullen de hulpdiensten ook op silent calls afgaan, aldus de politie.

Alpineskiën is niet écht een sportwedstrijd

Dit is een vroege versie van het artikel dat uiteindelijk werd gepubliceerd door De Correspondent. De geweldige illustraties zijn gemaakt door Suus Hessling.


Veel van de sporten die straks te zien zijn op de Olympische Winterspelen in Pyeongchang kampen met hetzelfde probleem: ze zijn te snel. Daardoor is bijna niet meer te zien wie de beste atleten zijn.

Tijdens het Wereldkampioenschap reuzenslalom in het Oostenrijkse Lienz op 29 december vorig jaar finishte de top-drie binnen acht honderdste van een seconde. Nul komma nul acht seconde – één keer met je ogen knipperen duurt al langer.1

De ‘close finish’ in Lienz is helemaal bijzonder als je bedenkt hoe hard de alpineskiërs gaan. Vanaf vandaag kun je hen op de Olympische Winterspelen de berg af zien komen met 120 tot 155 kilometer per uur. Toch finishen ze vaak binnen enkele honderdste seconden van elkaar. Bobsleeërs halen snelheden tot 200 kilometer per uur, maar ook daar finishte de top-vijf op de vorige Winterspelen toch binnen een halve seconde (nadat ze elk opgeteld 3,5 minuut hadden geracet).

Snowboarden, bobsleeën, schaatsen, langlaufen en skiën – bij veel van de sporten die je kunt zien tijdens deze Olympische Winterspelen gaat het om hoge snelheden en hele kleine verschillen. Dat is indrukwekkend, maar het is ook een probleem. Professionele sporters zijn zó goed geworden en de verschillen tussen hun prestaties zó klein, dat je eigenlijk niet meer kunt zien wie de beste is. Lasers, computers die gesynchroniseerd zijn met atoomklokken en zelfs high-definition-fotofinishes kunnen lang niet meer altijd uitsluitsel geven over wie de medaille verdient.2

Veel sporten hebben met dat probleem te maken. De Amerikaan Stephen Jay Gould bedacht een verklaring voor hoe dat komt. Gould was behalve beroemd evolutionair bioloog een groot honkbalfan. Het viel hem op dat een van zijn wetenschappelijke theorieën over biologische evolutie ook opging voor zijn geliefde sport: als een sport volwassen wordt, neemt de variatie in prestaties aan de top af.

Tot in de jaren twintig van de vorige eeuw had je in het honkbal nog regelmatig slagmannen die over een heel seizoen meer dan 40 procent van de ballen raak sloegen. Dat komt niet meer voor. In zijn essay “Why No One Hits .400 Anymore” legt Gould uit dat niet komt doordat de sporters slechter worden, maar juist omdat de gemiddelde speler steeds beter presteert, waardoor het moeilijker is om een batting average van 0,400 te halen.3

De prestaties worden steeds beter, maar de onderlinge verschillen alsmaar kleiner. Daardoor komen buitengewone prestaties, waarbij één atleet alle anderen overvleugelt, minder vaak voor.

Goulds stelling gaat ook op voor het schaatsen, schreven drie Nederlandse econometristen vorig jaar.4 Emeritus hoogleraar Gerard Sierksma, één van de onderzoekers, ziet het bij veel meer sporten. “Op het EK en WK voetbal eindigt meer dan 30 procent van de wedstrijden met maximaal één doelpunt verschil. Dat betekent dat beslissingen en fouten van de scheidsrechter belangrijker worden voor het verloop van de wedstrijd. Wedstrijden in de Champions League zijn al bijna jurysport geworden.”5

Commentatoren zoeken betekenis in de foutmarge

De commentator van Eurosport noemde de nek-aan-nek-race bij de reuzenslalom in Lienz een ‘uniek feit’, om zich direct daarop te herinneren dat bij dezelfde wedstrijd in Sölden in 2002 drie vrouwen ex aequo eerste werden. Als je het verslag van die wereldbekerwedstrijd moet geloven, dan was een achterstand op de drie winnaressen van anderhalve seconde (op een winnende tijd van 109,9 seconden) al een behoorlijke afgang. De wereldkampioene van het jaar daarvoor, de Oostenrijkse Michaela Dorfmeister, had volgens een sportjournalist van de BBC een ‘slechte eerste run’ waarna ze ‘slechts’ twaalfde werd. De olympisch kampioene Janica Kostelic ‘also failed to perform,’ aldus de BBC omdat zij als elfde eindigde – 1,37 seconde langzamer dan de drie winnaressen. Bepaald geen zeeën van tijd, maar in de moderne sport zijn dat de marges waarbinnen de dramatische gevechten zich afspelen.

In 2015 voegde de internationale skifederatie FIS een nieuwe discipline toe aan de kalender: de parallelle reuzenslalom.6

Die wedstrijden zijn nóg flitsender dan de reuzenslaloms die op de Olympische Winterspelen te zien zullen zijn. Twee aan twee racen de skiërs binnen twintig seconden langs vijftien tot achttien poortjes om over de finishlijn te komen, met tijden die hooguit een paar honderdste seconden uit elkaar liggen. Het is een knockout-systeem: steeds gaan er twee skiërs tegelijk naar beneden, en wie als eerste beneden is mag door naar de volgende ronde.7

Maar het is ontzettend lastig te zien wie de eerste is. Je moet twee parcours tegelijk in de gaten houden, en het gaat zó gelijk op dat je echt de officiële tijdmeting moet zien om te weten wie als eerste over de streep ging. De sporters moeten zelf ook omkijken naar de grote schermen om te weten of ze gewonnen of verloren hebben.

Ondanks de praktisch gelijktijdige afdaling, deinzen de commentatoren er niet voor terug om de race te analyseren alsof het een strategisch spel is. ‘Hier zie je dat ze in het eerste deel wel heel veel tijd verliest,’ zegt een tv-commentator over een van de deelnemers tijdens het parallel slalommen in Oslo. “Ze lijkt een kleine voorsprong te hebben”, zeggen de twee commentatoren ook vaak.

Volgens experimenteel psycholoog Stefan van der Stigchel van de Universiteit Utrecht slaan zulke analyses menselijkerwijs gesproken nergens op.“Als je naar het parallel slalommen kijkt, gaan je ogen continu heen en weer. Zulke oogbewegingen kosten tijd. Je hebt minimaal 80 milliseconden nodig om van de ene naar de andere plek te gaan. Dat is heel snel, maar hiervoor niet snel genoeg. In die tijd gebeurt er gewoon heel veel.”

Een van de commentatoren zei, na alweer een afdaling die slechts met enkele honderdste was beslist: “Het verschil onderaan is bijna te klein om met het blote oog te zien”. Dat is terechte bescheidenheid, én een understatement. Er is namelijk geen enkele kans dat iemand het verschil goed kan zien, weet Van der Stigchel. “Ze finishen soms op een paar honderdsten van elkaar. Dat is niet waar te nemen. Je kijkt er ook nog eens schuin op. Alleen als de camera exact haaks op het parcours staat, kun je misschien zien wie de eerste is, net als bij een fotofinish.”8

Ook de finishfoto faalt

Maar zelfs op finishfoto’s is vaak niet meer te zien wie echt eerste was. Bij een wereldbekerwedstrijd langlaufen eind vorige maand in Oostenrijk kon op basis van de fotofinish geen winnaar worden aangewezen. Hetzelfde gebeurde aan het eind van de zevende etappe in de Tour de France afgelopen zomer. Volgens de organisatie was de Duitser Marcel Kittel 0,0003 seconde sneller dan de Noor Edvald Boasson Hagen, dus drie tienduizendste. Een verschil dat absurd klein is, en niet alleen vanwege de mate van precisie in de tijdmeting die ervoor nodig zou zijn, meent Sierksma. ‘De eindstreep die ze trekken, staat die wel recht op de rijrichting? Nee, natuurlijk niet, er is altijd wel een paar millimeter verschil. Precies het verschil dus waarmee Kittel won.’

Ilustraties: Suus Hessling

De commentatoren zien wel meer dan de gemiddelde kijker, denkt Van der Stigchel. ‘Zij kunnen de juiste bewegingen herkennen, en die interpreteren ze als een voorsprong. Zo kunnen ze beoordelen wat een goede afzet is, dus het commentaar is niet helemaal nutteloos.’ Maar ze overschatten hun eigen visuele waarneming wel. ‘Als ze zelf denken dat ze net zo goed kunnen zien als de officiële tijdwaarneming, overschatten ze zichzelf.’

Er zullen steeds vaker winnaars zijn, wier afstand tot nummer twee kleiner is dan de foutmarge van de meetsystemen

Volgens de econometristen bevinden de ‘snelle’ sporten zich in een crisis. Hoe dichter de prestaties op elkaar zitten, des te vaker zullen sporters hun plek op het podium moeten delen. Er zullen ook steeds vaker winnaars worden uitgeroepen, terwijl hun afstand tot de nummer twee niet groter is dat de foutmarge van de meetsystemen.

De selectie van sporters zal ook steeds moeilijker worden omdat er steeds meer potentiële medaillewinnaars zijn. Gerard Sierksma: ‘De 500-, 1000- en 1500-meter-wedstrijden bij het schaatsen zijn tegenwoordig eigenlijk ongeschikt om ranglijsten bij op te stellen, en om goud en zilver bij uit te reiken. Deskundigen op het gebied van tijdmeting zeggen dat de foutmarge drie duizendste seconde bedraagt De resultaten liggen daar binnen die foutmarges. Je kunt gewoon niet meer vergelijken wie winnaars zijn.”

Een van bekendste voorbeelden hiervan is de 1.500 meter van Koen Verweij tijdens de vorige Olympische Winterspelen in 2014 in Sotsji. Hij kreeg zilver omdat hij volgens de tijdmeting drieduizendste van een seconde langzamer was dan de Pool Zbigniew Bródka. Ze reden niet tegen elkaar, dus er was geen finishfoto. Sierksma: ‘Voor hetzelfde geld was het onderlinge verschil wel zes duizendste geweest. Hij had ex aequo goud moeten hebben. Straks in Pyeongchang meet de ISU de tijden ook weer in duizendsten. Als iemand weer een verschil rijdt van een paar duizendste: god weet wie gewonnen heeft.”

Objectief de beste

Ondanks de fantastisch kleine verschillen in eindtijden, maakt de Fédération Internationale de Ski (FIS) er nog wat van met een heel eigen puntensysteem, om zo elke twee jaar een wereldkampioen te kunnen uitroepen. Maar die puntentelling vertekent de cijfers enorm – zozeer zelfs, dat het alpineskiën in de literatuur een voorbeeld is geworden van hoe het niet moet. Het handboek Statistics in Psychology Using R and SPSS gebruikt de puntentelling bij het wereldkampioenschap alpineskiën als voorbeeld van foutief gebruik van meetniveaus.

In plaats van de tijden van skiërs over een heel seizoen te vergelijken en de wereldbeker te geven aan de snelste atleet, doet de FIS dat op basis van verdiende punten. De winnaar van een race krijgt 100 punten, de nummer twee 80, de derde 60, enzovoorts. Daardoor kan een skiër die gemiddeld de snelste is toch het wereldkampioenschap verliezen van iemand die vaker eerste werd.

De auteurs van het statistiekboek schrijven: ‘Het is irrelevant dat die schaalverdeling zo oneerlijk is, zolang atleten en kijkers vrijelijk instemmen met zulke autoritaire regels omwille van het amusement. Wetenschappelijk onderzoek vraagt echter om eerlijkheid en objectiviteit.’ Als je ook objectief zou willen vaststellen wie de beste sporter is, dan zou je meerdere metingen moeten doen, zegt statisticus Casper Albers van de Rijksuniversiteit Groningen. ‘De wetenschappelijke benadering zou zijn om te zeggen ‘Nummers één tot en met vijf waren ongeveer even snel. We moeten iedereen nog minstens tien keer van die berg af laten racen om te weten of de nummer één ook significant beter is dan de nummer twee’. Maar dat levert natuurlijk geen interessante sportbeelden op.”

Opmerkelijke resultaten

Bij de parallelle reuzenslalom zorgt het knockout-systeem voor nog meer opmerkelijke resultaten.9 Tijdens de parallelle reuzenslalom voor mannen, 17 en 18 december vorig jaar in Alta Badia in Italië, werd de Zwitser Justin Murisier zevende met een tijd van 19,31 seconden.10 Dat was sneller dan de winnaar van de wedstrijd én de drie skiërs die boven hem eindigden. De nummers drie en vier waren allebei bijna een halve seconde eerder over de streep dan de nummers één en twee. Toch krijgt Murisier maar 36 punten voor het wereldkampioenschap, tegen 50, 60, 80 en 100 voor de nummers vier tot en met één.

Is degene die wint dan nog wel beter dan de andere deelnemers? Als de resultaten zó dicht bij elkaar liggen, dan is het toeval mogelijk belangrijker dan wie het beste kan presteren, legt Albers uit. ‘Toeval is in wezen onderdeel van de sport. Als je in een voetbalwedstrijd een minuut voor tijd een penalty mag nemen en je schiet raak, heb je gewonnen. Een goede speler zal zo’n strafschop misschien drie van de vier keer erin schieten en een slechte één keer. Maar pas als teams of sporters het vaker tegen elkaar opnemen en de ene net wat vaker wint dan die andere, kun je concluderen dat het ene team dan wel beter zal zijn. Anders kan het toeval zijn. Zeker als de verschillen tussen spelers heel klein zijn, gaat toeval het spel domineren.”11

Hoe komt het dan dat we toch denken te kijken naar een wedstrijd die uitmaakt wie de beste sporter is? Wat niet helpt, is dat het lastig is te begrijpen hoe weinig een honderdste of duizendste van een seconde is. Mensen hebben niet door hoe klein die verschillen zijn, en juist daarom nemen ze de verschillen zo serieus.

De verschillen zijn beter voor te stellen als we de race vertalen naar een denkbeeldige wedstrijd die veel langer duurt. Als de reuzenslalom voor dames in Lienz niet (in totaal) twee minuten maar 3,5 uur zou duren, waarbij de atlete geen 44 maar ruim vierduizend poortjes voorbij skiet, zouden de finalisten nog steeds binnen 8 seconden van elkaar eindigen.

En die cijfers achter de komma wekken de indruk dat het allemaal erg exact is. Dat is een denkfout die ‘precision bias’ of ‘valse precisie’ heet. Mensen hebben veel vertrouwen in cijfers die met meer precisie worden gepresenteerd dan gerechtvaardigd is.12 Albers: ‘Deze sporten zijn daar een goed voorbeeld van. Als tijden worden genoteerd met vier cijfers achter de komma, denken we ‘wat weten wij dat goed’. Maar die precisie heeft niks meer met de prestatie van de sporters te maken.’

Wie rekening houdt met meetfouten en de invloed van toeval kan na sommige wedstrijden niet meer met statistische zekerheid zeggen wie de beste sporter is. Misschien gaan de Olympische Winterspelen daar ook vooral om: niet objectief de beste sporters aanwijzen, maar gewoon spannende wedstrijden laten zien en knappe prestaties, volgens de regels van het spel.

 


 

Wel in de Tweede Kamer, geen zin in vergaderen

Datajournalistiek is erg leuk om te doen. Een paar jaar geleden onderzocht ik samen met collega Daan Marselis hoe vaak TweedeKamerleden aanwezig zijn. Dit keer haalde ik voor dagblad Trouw 9 maanden aan Kamerstukken binnen, om de aanwezigheid van Thierry Baudet en Theo Hiddema te analyseren. Baudet blijkt vaker in het gebouw van de Tweede Kamer te zijn dan gedacht, maar tijdens vergaderingen blijft hij in zijn kantoortje zitten.


Thierry Baudet en zijn collega Theo Hiddema van Forum voor Democratie krijgen vaak het verwijt dat zij afwezig zijn bij vergaderingen in de Tweede Kamer. Terecht, zo blijkt uit cijfers
van het parlement. Baudet is wel vaak in het Kamergebouw, maar niet in de vergaderzaal.

“Waar zijn al die Kamerleden die de hele dag roepen dat #FVD nooit in de Kamer is. Ik zie 140 lege zetels, waar is iedereen?” Dat vroeg Theo Hiddema, Kamerlid voor Forum voor Democratie (FvD), op Twitter, op 20 december om half twaalf ’s avonds. Hij was in de Tweede Kamer voor een debat over verlenging van de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS. Ook tijdens de vergadering zelf vroeg Hiddema aandacht voor het feit dat hij aanwezig was, met name van de D66-fractie. Dit omdat die fractie kritiek had geuit op zijn vaak afwezig-zijn bij debatten. “Ze kunnen namelijk heel slecht tellen daar.”

Politici en anderen wezen Hiddema er al snel op dat portefeuilles nou eenmaal verdeeld worden, en dat de meeste debatten gevoerd worden door de woordvoerders op dat onderwerp. Twaalf buitenlandspecialisten van andere partijen waren dan ook bij het late debat aanwezig, en niet hun collega’s die over andere onderwerpen gaan. Een medewerker van een VVD-parlementariër twitterde dat het bewuste misleiding was van Hiddema, óf domheid: “Hiddema is zo weinig in de kamer dat hij bovenstaande niet weet”.

De Tweede Kamer registreert de aanwezigheid van Kamerleden, om vast te stellen of het quorum is gehaald, dus of er voldoende Kamerleden in huis zijn om te kunnen stemmen. Door de Handelingen van de plenaire vergaderingen te turven, is te zien op welke dagen elk Kamerlid aanwezig was. Daaruit blijkt dat de meeste Kamerleden vaak aanwezig zijn. Gemiddeld miste een Kamerlid sinds eind maart vier plenaire vergaderingen (de Kamerleden die tot 26 oktober in het demissionaire Kabinet zaten en nieuwe Kamerleden niet meegerekend). Er zijn wel een paar parlementariërs die opvallend vaak afwezig waren. Karen Gerbrands van de PVV bijvoorbeeld: zij combineert haar Kamerlidmaatschap met een fractievoorzitterschap in de Haagse gemeenteraad. Haar partijgenoot Barry Madlener was op 32 van de 83 vergaderdagen niet in de Tweede Kamer. Hij is daarmee het minst aanwezig van alle Kamerleden.

Het Kamerlid dat daarna het vaakst afwezig was (afgezien van een Kamerlid met gezondheidsproblemen) was Theo Hiddema. Hij was afwezig op 19 vergaderdagen.

De fractievoorzitter van Forum voor Democratie, Thierry Baudet, is er juist heel vaak, in weerwil van wat collega’s en journalisten waarnemen. Baudet was aanwezig op 74 van de 83 vergaderdagen van de Tweede Kamer sinds zijn beëdiging als Kamerlid. Tenminste, dat is wat er in de Handelingen staat. Als een Kamerlid zich aanmeldt als hij het Kamergebouw inloopt, dan telt hij als aanwezig, ook als hij die dag helemaal niet in de vergaderzaal komt. Maar als Baudet er zo vaak wel is, blijft hij dan op zijn kamer zitten als de plenaire vergadering begint? Of is hij dan alweer vertrokken? Of doet Forum voor Democratie heel vaak mee aan debatten, en kunnen collega-Kamerleden inderdaad niet tellen?

Eén manier om erachter te komen, is kijken naar de sprekerslijsten. Bij plenaire debatten vraagt iedere fractie vooraf spreektijd aan, en wie namens de fractie het woord zal voeren staat op een sprekerslijst. Op de site van de Tweede Kamer staan 268 sprekerslijsten, één voor elk onderwerp dat tijdens een plenair debat werd besproken.

Infographic: het Nijmeegse ontwerpbureau Louman & Friso.

De VVD en de andere grote fracties staan op haast alle sprekerslijsten; zij hebben nu eenmaal meer mensen die bij debatten kunnen zijn. Toch doen ook kleinere fracties hun best om zo veel mogelijk hun stem te laten horen. 50PLUS (4 leden), Denk (3 leden) en de SGP (3 leden) komen voor op respectievelijk 87, 81 en 90 sprekerslijsten. De twee leden van Forum voor Democratie vroegen een stuk minder vaak spreektijd aan: 33 keer.

Ook aan het stellen van schriftelijke vragen aan bewindspersonen doet FvD niet heel actief mee. In de zittingsperiode van deze Tweede Kamer werden tot nu toe 1.646 schriftelijke vragen aan de regering gesteld. Thierry Baudet stelde zes keer een vraag, Hiddema nul keer. De andere kleine fracties doen dat vaker: de SGP stelde 52 vragen, 50PLUS 15 en DENK 33.

Theo Hiddema laat zich in de Tweede Kamer zelden zien. Baudet is met 26 debatten een van de fractievoorzitters die het vaakst zelf het woord voeren (Tunahan Kuzu van DENK deed dat 37 keer en Kees van der Staaij van de SGP 31 keer). Theo Hiddema beperkte zich in de afgelopen negen maanden tot deelname aan zeven debatten; over discriminatie, terrorismebestrijding, criminele asielzoekers, de begroting van Justitie en Veiligheid, en het genoemde debat over de strijd tegen Islamitische Staat.

Ondanks zijn schampere tweets lijkt Hiddema zich het commentaar op de afwezigheid van FvD wel aan te trekken. Hij was aanwezig op de laatste 18 vergaderdagen van 2017; niet eerder was hij zo vaak achter elkaar aanwezig. Voor zijn beëdiging zei Hiddema al tegen het Algemeen Dagblad dat hij zou blijven werken als strafpleiter: “Ik heb die dynamiek nodig”.

Er is wel iets voor te zeggen om niet bij elk debat en elk Algemeen Overleg te zijn. Politici, zeker van jonge en kleine partijen, moeten immers ook het land in, om zich te informeren en zich te laten zien. Baudet zal ook zijn tijd en kantoor in de Tweede Kamer gebruiken om zijn jonge partij op te zetten. Het Kamerwerk bestaat uit het controleren van de regering en zelf voorstellen doen, maar het lijkt erop dat Forum voor Democratie dat niet als hoogte prioriteit heeft.

Interview: Kevin Kelly

Voor populair-wetenschappelijk tijdschrift KIJK interviewde ik Kevin Kelly, een van de oprichters van Wired magazine en technologie-visionair.

“De grootste technologie van over 25 jaar bestaat nu nog niet”

Kunstmatige intelligentie is al zo slim, dat wij mensen de computer eigenlijk niet meer kunnen volgen. Nieuwe technologie ontwikkelt zich in zo’n razend tempo dat we amper de tijd krijgen om eraan te wennen. Gelukkig laat futuroloog Kevin Kelly zien waar het allemaal heen gaat.

Hij wordt wel een ‘digitale profeet’ genoemd, en dat past wel bij zijn ringbaardje en bedachtzame manier van praten. Zeker is dat Kevin Kelly op veel mensen indruk maakt met zijn beschrijvingen van technologieën en hoe de toekomst eruit zal gaan zien. De invloedrijk denker en veelgevraagd spreker geeft al bijna dertig jaar mede vorm aan de digitale cultuur. Al in de jaren tachtig schreef hij voor computerbladen, was hij betrokken bij de eerste conferenties voor programmeurs en bij The Well, een van de allereerste online communities. In 1993 was hij een van de oprichters van het beroemde tech-tijdschrift Wired.

Vorig jaar verscheen The Inevitable, Kelly’s nieuwste boek. In de bestseller beschrijft hij twaalf technologische trends die onze toekomst zullen bepalen. Kelly twijfelt er niet aan dat het onvermijdelijk is dat ieders leven compleet zal veranderen door ontwikkelingen als kunstmatige intelligentie, systemen die iedereen continu in de gaten houden en materialen die elk oppervlak in een scherm veranderen. Hoewel onvermijdelijk, meent Kevin Kelly dat wij allemaal zullen bepalen hoe die technologieën eruit zullen gaan zien en dat het daarom belangrijk is dat we ze zo snel mogelijk begrijpen en omarmen.

Kelly was heel even in Nederland als belangrijkste spreker tijdens STRP Biënnale, het festival voor creatieve technologie in Eindhoven. Een mooie kans voor KIJK om hem te spreken over controversiële technologie, hypes en de toekomst.

U bent altijd zo optimistisch over de toekomst, terwijl er zo veel dingen zijn om je zorgen over te maken. Hoe komt dat?
“Ik ben optimistisch vanwege het verleden. Als je naar wetenschappelijke data kijkt, dan is het overduidelijk dat gemiddeld genomen alles beter is geworden. Mondiaal gaat het elk jaar een klein beetje beter. Als je het nieuws kijkt, zie je dat niet. Daar zie je alleen de uitzonderingen. Die ruis overstemt het goede nieuws. Als mensen 49 procent van de wereld vernietigen, dan is dat de kop in de krant. Toch is dat prima zolang er één procent meer wordt opgebouwd. Daarbij worden alle goede dingen gemaakt door optimisten. Je moet immers wel optimist zijn om een uitvinding succes te laten hebben.”

Toch wijst u ook op de minder leuke kanten van nieuwe technologie, zoals aantasting van privacy. Moeten we alle nieuwe technologie wel zonder meer omarmen?
“Ik preek het omarmen van nieuwe technologie, omdat dat de manier is waarop we de ontwikkelingen kunnen sturen. Het is ook de enige manier om te ontdekken wat de echte problemen zijn in plaats van de gevaren die mensen zich inbeelden. Artificiële intelligentie en virtual reality zijn de problemen van morgen. De oplossing voor die problemen is niet mínder, maar juist meer en betere technologie. Vooruitgang komt door nieuwe problemen hebben. Het is een cyclus, een steeds verder uitbreidende cirkel. Voor mij betekent dat een toename in mogelijkheden. Dat is wat vooruitgang is. In de toekomst zullen we niet minder, maar méér problemen hebben. Maar daardoor hebben we ook meer mogelijkheden om uit te kiezen.”

Is verzet tegen problematische kanten van technologie dan zinloos? Als je bij pen en papier wil blijven omdat dat veiliger is, vecht je dan tegen het onvermijdelijke?
Mensen die denken dat digitaal stemmen nu veilig kan, hebben het mis. Het is nog te vroeg. Er is eerst een fool-proof systeem nodig om je digitaal te identificeren. Ik kan me voorstellen dat er systemen komen waarbij je biometrische gegevens je wachtwoord zijn. Maar daarvoor is eerst een generatie nodig van mensen die biometrie compleet vertrouwen. Het Chinese webbedrijf Baidu is al overgestapt op betalen door gezichtsherkenning. Daar zullen we aan gewend raken, net zoals gewoon door de paspoortcontrole lopen zonder je paspoort te laten zien. Biometrie kun je faken, maar tien biometrische checks tegelijk vervalsen is praktisch onmogelijk. AI zal je net zo goed kunnen herkennen als mensen dat doen, op de manier waarop je loopt bijvoorbeeld. Samen met andere vormen van encryptie zou dat elektronisch stemmen misschien veilig kunnen maken. Totdat we dat hebben, is het potlood beter.

Tesla-oprichter Elon Musk wil chips in ons brein implanteren, zodat we kunstmatige intelligentie kunnen bijbenen. Is dat soort interactie tussen mens en machine onvermijdelijk?
“Hersenimplantaten zijn onvermijdelijk, maar niet binnen twintig of dertig jaar. De kosten en de complexiteit maken dat het gebruik zich veel trager dan dat zal ontwikkelen. Medische toepassingen ontwikkelen zich veel langzamer dan techniek op zich. We weten nog maar zo weinig over onze hersenen. Hersenonderzoek kun je maar heel moeilijk sneller laten gaan. Het duurt gewoon lang voordat je langetermijneffecten kunt onderzoeken. En het gaat toch om invasieve chirurgie. De meeste mensen die zich nu zorgen maken over die ontwikkelingen, zullen het niet meer in hun leven zien gebeuren. We moeten er rekening mee houden dat de grootste technologie van over 25 jaar nu nog niet gecreëerd is. Wat ik er dan van vind dat bedrijfjes daar nu toch mee bezig gaat? Fantastisch, steek er vooral geld in. Maar verwacht er geen resultaten van binnen één generatie.”

Moeten we sowieso geduldiger zijn met nieuwe technieken? 3D-printen heeft ook nog niet geleid tot de verwachte maak-revolutie die wel werd verwacht.
“3D-printen was vreselijk overhyped. Ik geloofde het al nooit. Hetzelfde geldt voor nanotechnologie. Nanodeeltjes kunnen zichzelf organiseren tot geweldige dingen, maar het is altijd goedkoper om iets in bulk te maken. Waarom mensen dan toch vielen voor de 3D-print-revolutie? Ze stelden zich voor hoe álles helemaal zou veranderen. De waarheid is dat 3D-printen alleen sommige dingen helemaal verandert. 3D-printers moesten gebruikt worden om daar achter te komen, om te ontdekken wat hun plek is in het ecosysteem.”

Uw werk wordt bewonderd door velen, maar er is ook kritiek. Sommigen zeggen dat u in uw boeken concepten uit de biologie en natuurkunde te losjes toepast.
“Ik praat over trends die nu aan het beginnen zijn en die zeker onze toekomst zullen bepalen. Soms gebruik ik termen uit de biologie als metaforen. Er komen kunstmatige systemen aan die levend zullen zijn. Niet alle technologie zal leven, maar alle technologie zal meer life-like zijn en convergeren. Ja, je kunt me bekritiseren omdat wat ik zeg nu niet universeel toepasbaar is, maar we gaan absoluut daarheen. Ik blijf erbij dat dat de richting is. Wat ik een mooie beeldspraak vind, is een vallei waar een flinke regenbui in valt. Waar elke afzonderlijke regendruppel heengaat, is onvoorspelbaar, maar de richting is zeker neerwaarts. En dat is wat me interesseert. Grote systemen hebben van zichzelf een bepaalde richting, net zoals de nerf in hout. Zo zijn ze gemaakt door de natuur. Ze hebben allemaal te maken met scheikundige en natuurkundige eigenschappen die ze een bepaalde richting geven. Auto’s hebben wielen nodig en mensen en dieren poten om op te lopen. Dat is onvermijdelijk want ze hebben te maken met zwaartekracht. Dat maakt sommige ontwikkelingen onvermijdelijk.

Een paar globale trends voor de komende dertig jaar voorspellen is wel vrij gemakkelijk. Lijken trendwatchers en futurologen niet wat veel op waarzeggers?
“Ik doe niet zo veel voorspellingen, en ik probeer geen jaartallen te noemen wanneer iets zal gebeuren. Ik kan de toekomst niet voorspellen, nee, maar ik kan het wel hebben over dingen die eraan gaan komen. Wat je werkelijk moet proberen, is te voorspellen wat er nu gebeurt. Ik ben geen futurist, maar een presentist. Nadenken over wat eraan komt, is een manier – een stijlfiguur – om beter te begrijpen wat er nu gebeurt. Ik doe mijn best om alleen over trends en de richting van ontwikkelingen te praten, dus niet over of de iPhone er over een paar jaar nog is of welke kleur hij dan heeft. Dat soort details zijn te grillig om vanuit het heden te extrapoleren. Zolang je trendwatchers niet al te veel gelooft en ook andere bronnen raadpleegt, dan zijn ook zij best nuttig. Ook wat zij zeggen over de toekomst is bruikbaar om het heden te begrijpen. Maar ik zou er niet veel geld aan uitgeven om het te horen!”

Over welke technologie of ontwikkeling bent u persoonlijk het meest enthousiast?
Kunstmatige intelligentie is een hype, maar ik denk dat het nog steeds underhyped is. AI gaat de wetenschap en het bedrijfsleven radicaal veranderen. Niet in de komende vijf of tien jaar – we bevinden ons nu nog in het beginstadium. Maar het is een innovatie die minstens zo groot is als de drukpers, het vuur of het internet. Ik vind het moeilijk om iets te bedenken dat niet beïnvloed zal worden door AI.
Iets dat ik geweldig vind en thuis gebruik, zijn Amazon Echo en Alexa, de conversational bots. Die zijn heel cool. Er zijn nog veel problemen en uitdagingen mee, maar dat wordt een enorm grote markt. Je kunt gewoon een conversatie hebben met het apparaat. Dat zal heel belangrijk gaan worden voor ons leven en voor hoe bedrijven werken.

Je komt op internet steeds meer absurde ‘slimme’ apparaten tegen, zoals wc’s met wifi. Vindt u zulke uitvindingen idioot of zijn het allemaal stapjes in onze technologische evolutie?
Er zijn zeker dingen die slim zijn maar niet slim genoeg. Die zijn net slim genoeg om dom, gevaarlijk of onpraktisch te zijn. Er is een hele stapel boeken vol met vreemde Japanse uitvindingen die mensen echt niet nodig hebben, zoals paraplu-hoeden. Ze zijn mal omdat het meer moeite kost om ze te gebruiken dan dat je er wat aan hebt. Niet elk idee is nuttig. Dit zijn uitprobeersels. Ze zijn de manier waarop we leren. Ik juich dat toe. Ik vraag me wel af of de makers goede ondernemers zijn, maar wie weet. Ik denk eigenlijk wel dat connected toiletten een goed idee zijn. Die zouden de medische sensor in je huishouden kunnen worden. Je ontlasting bevat waardevolle indicatoren voor je gezondheid. Als het toilet met het internet verbonden is, zou dat heel nuttig kunnen zijn. Ik zou daar niet om lachen. Het is misschien nog te vroeg, maar niet belachelijk.

[biografische weetjes]

Kevin Kelly (Pennsylvania, 1952) was mede-oprichter en eerste hoofdredacteur van het toonaangevende Amerikaanse tech-tijdschrift Wired. Hij schrijft nog steeds voor het blad.

Steven Spielberg vroeg Kelly als adviseur voor zijn film Minority Report. De futuroloog moest helpen een beeld te schetsen van het jaar 2050.

Behalve schrijver is Kevin Kelly fotograaf en natuurbeschermer. Hij bracht verschillende fotoboeken uit en werkt nu aan een boek over verdwijnende tradities in Azië.

Tijdens een van zijn vele reizen, in 1979 in Jerusalem, had Kelly een bekeringservaring en werd hij een wedergeboren (born again) christen.

Kelly probeert zoveel mogelijk nieuwe dingen uit, maar is zeker geen gadget-freak. Hij heeft niet eens een tv in huis.

Kevin Kelly wordt 65 dit jaar. Op zijn bureau staat een klok die aftelt hoeveel dagen hij nog heeft. “Statistisch gezien nog zesduizend dagen.”

Kevin Kelly’s eigen website: http://kk.org/

 

Wat je moet weten over blockchain


Dit stuk werd eerder gepubliceerd in het magazine Management Team en op mt.nl.

Blockchain is, na internet of things, cloud computing en big data het nieuwste buzzword – iedereen heeft het erover. Het is echter behoorlijk ingewikkelde technologie, die lang niet iedereen helemaal begrijpt. Wat blijft er over van de hype als je er eens heel goed naar kijkt?

Blockchain is in 2009 ontstaan als het systeem waarop het elektronische betaalmiddel Bitcoin draait. Het is een database waarvan heel veel mensen een kopie op hun computer hebben staan. Die database is een grootboek, dus een overzicht van alle transacties. Dat kunnen geldtransacties zijn, maar ook heel andere informatie kan opgeslagen worden in het gezamenlijke grootboek, zoals bijvoorbeeld patiëntendossiers.

Dat vertrouwen is te danken aan een paar cruciale blockchain-principes. Om te beginnen is de blockchain openbaar. Iedereen kan het hele grootboek downloaden en inzien. Alle informatie wordt de-centraal opgeslagen, dus niet op de servers van een bank of een andere instelling die je maar moet vertrouwen.
Het vertrouwen komt verder van het netwerk. Computers in het blockchain-netwerk zorgen dat transacties correct in een blok terecht komen en dat nieuwe blokken zich over het hele netwerk van duizenden computers verspreiden. De computers controleren samen of alle informatie klopt, en dat iedereen steeds dezelfde informatie heeft. De consensus daarover tussen de nodes in het netwerk waarborgt de integriteit van het hele grootboek, en voorkomt dat een bitcoin kan worden ge-copy-paste en twee keer kan worden uitgegeven (het is immers een digitaal betaalmiddel).

Het derde principe dat vertrouwen oplevert, is dat niemand informatie kan aanpassen of schrappen. Niemand is eigenaar van de database, dus er is ook niemand die in zijn eentje kan besluiten dat er iets weg moet. Als een blok met data eenmaal in de blockchain zit, dan blijft het er voor altijd in zitten, onlosmakelijk verbonden met het voorgaande blok in de keten. Geen gerommel achteraf dus. Daardoor weet iedereen zeker dat alles wat in de blockchain zit correct is en blijft.
De waarde van de blockchain zit hem in deze principes. Blockchain gaat dus niet zozeer over financiën of informatie op zich, als wel over het bewerkstelligen van een gedeelde digitale waarheid waar je op kunt vertrouwen. Geld en informatie kunnen door mensen onderling uitgewisseld worden zonder dat er een vertrouwde derde partij nodig is. Het nodige vertrouwen wordt niet meer ontleend aan de autoriteit die het systeem beheert, maar ligt besloten in het systeem zelf.

Toepassingen

De grote vraag is vervolgens waar je blockchain allemaal voor kunt gebruiken, naast het uitwisselen van cryptografisch geld. De verwachtingen zijn erg hooggespannen – en spreken elkaar soms zelfs tegen. Sommige enthousiastelingen verwachten bijvoorbeeld dat blockchain zal zorgen voor een flinke groei van de wereldeconomie, terwijl anderen juist denken dat blockchain een eind zal maken aan het huidige kapitalistisch systeem. De blockchain wordt soms zelfs de belangrijkste ontwikkeling sinds het ontstaan van het internet genoemd. Dat een ingewikkelde technologie toch veel enthousiasme weet op te wekken, komt door het revolutionaire karakter van blockchain. Een technologie die zo slim en vernieuwend is, daar moeten haast wel fantastische dingen mee kunnen.

Interessante toepassingen zijn te bedenken voor het beheer van productieketens. Het Britse bedrijf Provenance heeft zoiets net uitgeprobeerd. In een pilot-project werd in een blockchain in elk stadium informatie opgeslagen over vis; van de vangst (via SMS’jes van vissers) naar verpakking en transport tot aan de consument (QR-codes op de blikjes), om zo de transparantie en duurzaamheid van de visserij zou kunnen verbeteren. IBM is blockchain-platforms begonnen voor internet of things-toepassingen en voor supply chain management. De eerste cliënt is Everledger, een bedrijf dat de productieketen van diamanten inzichtelijk maakt voor kopers.

Het Rotterdams havenbedrijf werkt samen met ABN Amro aan een experiment om scheepsladingen die de haven binnenkomen te registreren via een blockchain. De Brits-Amerikaanse expediteur Marine Transport International heeft ook al een blockchain opgezet voor gebruik in het internationale transport. Volgens de CEO van MTI, Jody Cleworth, past blockchain zo goed bij het transport vanwege de complexe dataverzamelingen die ontstaan tussen de vele betrokkenen langs de supply chain: havens, verladers, ontvangers, vervoerders en controlerende instanties willen allemaal informatie over de lading opslaan en inzien.

De energiesector zou mogelijk ook baat kunnen hebben bij blockchain. Gas en elektra werden altijd centraal uitgeleverd en afgerekend, maar dat is flink aan het veranderen. Particulieren en bedrijven nemen energie af, maar kunnen met zonnepanelen ook weer energie terugleveren. In New York is al een project gestart, TransActive Grid, waarbij buren de energie die ze opwekken onderling met elkaar afrekenen via de blockchain, dus zonder tussenkomt van een netbeheerder.

Een beroepsgroep die zich wel een beetje zorgen maakt, is het notariaat. Sommige blockchain-voorstanders denken dat het notariaat helemaal overbodig zal worden doordat er na de blockchain-revolutie geen beëdigde notaris nodig is om overeenkomsten te formaliseren. Voor landen zonder betrouwbare kadasters zou dat een uitkomst zijn; de gedistribueerde databases zouden een goedkope en betrouwbare manier kunnen zijn om openbaar eigendomsgegevens bij te houden.

De meeste opwinding over blockchain heerst echter in de financiële sector. Bedrijven die iets doen met financiële technologie, of fintech, denken razend slimme, winstgevende toepassingen te kunnen bedenken die werken op de bitcoin-blockchain of met een eigen blockchain. De bank Santander zegt dat de bancaire sector met blockchains tot wel twintig miljard dollar zou kunnen besparen. In Amerika hebben 25 banken zich verenigd in een blockchain-startup, R3 CEV.

In Nederland is er ook veel blockchain-enthousiasme. Er zijn al drie bitcoin-congressen georganiseerd en aankomende februari wordt in Groningen de eerste Blockchain Hackathon georganiseerd. Onder de aanwezigen zijn in ieder geval ING, Exact, provincies, gemeentes, de Kamer van Koophandel, Deloitte, Microsoft en DNB. De Nederlandse Bank liet tijdens het blockchaincongres in juni weten dat hij in de kelder een netwerkje met pc’s heeft opgezet om met cryptocurrencies te experimenteren.

Gezien de herkomst van de technologie is het niet zo vreemd dat de financiële sector zo’n grote interesse heeft in blockchain. Tegelijk is het ironisch dat juist de financiële instellingen het hardst rennen om de ontwikkelingen bij te houden, aangezien blockchain en bitcoin juist bedacht zijn om banken overbodig te maken. Critici in de blockchain-gemeenschap zeggen dat het onzin is dat banken zich zo storten op blockchain. Banken hébben geen probleem waar blockchain de oplossing voor is, zij zijn het probleem waar blockchain de oplossing voor is. Als er iets is dat banken immers niet willen, is een systeem waar ze geen zeggenschap over hebben. Het gevolg is dat er wonderlijke tussenvormen worden bedacht waardoor de financiële sector toch mee kan doen met de hype. Toepassingen bijvoorbeeld die een beetje blockchain zijn, maar niet helemaal. Organisatieadviesbureau Accenture vroeg onlangs een patent aan op een blockchain die wél achteraf aanpasbaar is door een centrale beheerder. Veel mensen reageerden daar online wat lacherig op. De meestgelezen sarcastische opmerking was: “Een blockchain die je kunt bewerken… is dat niet gewoon een spreadsheet?”

Hindernissen

Toch hebben niet alle bedrijven in de fintech zich geestdriftig op blockchain gestort. Kees Haverkamp is directeur van Newest Industry, een bedrijf dat werkt aan online fintech-oplossingen. Newest Industry is op het moment bezig met het opzetten van een online marktplaats waar MKB’ers zich kunnen laten financieren door hun equity liquide te maken. “Dat is lastig in het huidige financiële systeem. Met onze marktplaats moeten ondernemers dat systeem kunnen omzeilen. Het sluit dus naadloos aan bij de gedachte achter blockchain.” Desondanks gebruikt het bedrijf geen blockchain voor het project. “Met de huidige stand van de techniek is het praktischer om gewoon een applicatie te bouwen met bestaande technieken. We hebben wel flink met blockchain geëxperimenteerd, maar de meeste toepassingen die mensen voor zich zien, zijn allemaal ook zeer goed realiseerbaar met meer gangbare technieken zoals relationele databases.”

Wie kritisch kijkt, ziet inderdaad nog maar weinig échte toepassingen. Bitcoin is voorlopig de enige toepassing die het prototype-stadium voorbij is. Skeptici houden blockchain nog steeds voor een oplossing die op zoek is naar een geschikt probleem. Zij wijzen op de hindernissen die een praktische toepassing van het briljante concept in de weg staan. De belangrijkste hindernis is de omvang van de blockchain. De twee belangrijkste blockchains, Bitcoin en Ethereum, groeien namelijk als kool. Naarmate ze populairder worden, stijgt het aantal transacties dat moet worden bijgeschreven snel. De omvang van de bitcoin-blockchain verdubbelt tot nu toe grofweg elk jaar. Drie jaar geleden was het hele bestand nog 10 gigabyte groot; wie de blockchain nu wil downloaden, heeft ten minste 85 gigabyte vrije schijfruimte nodig. En over een maand 3,5 Gb méér, want dat is hoe snel de hele database groeit dankzij de 200.000 transacties die gemiddeld per dag worden toegevoegd. Daardoor is trouwens behalve een flinke harde schijf ook een serieuze internetverbinding een vereiste. Het verkeer met de andere knooppunten in het netwerk kost zo’n 400 gigabyte of meer per maand.

Lykle de Vries, ‘social enterprise whisperer and bitcoin evangelist’, erkent dat de omvang van de blockchain een probleem begint te worden. “Een full node zou je niet op je smartphone kunnen draaien, maar een wallet om iets mee te betalen kan gelukkig wel.” Zulke bitcoin-portemonnees zijn lichtgewicht applicaties die op een vereenvoudigde manier transacties kunnen doen. Ze vertrouwen daarvoor op de betrouwbaarheid van het netwerk. “Ik denk dat we uiteindelijk wel toe zullen gaan naar verschillende soorten transacties met verschillende mate van betrouwbaarheid. Nu moet je nog tien minuten wachten op zekerheid dat je transactie is opgenomen in het blok. In veel gevallen is dat geen probleem, maar als je een kopje koffie wil afrekenen is het niet praktisch.”

De omvang van de blockchain vormt op die manier nog een ander gevaar voor blockchain. Als de meeste nieuwe gebruikers ervoor kiezen alleen een lightweight client te installeren, kunnen ze wel transacties in de blockchain zetten, maar doen ze zelf niet mee aan het controleren en bijwerken van het grootboek. Als heel veel gebruikers dat overlaten aan een kleinere groep super-gebruikers, krijgen die meer macht. De decentrale database is dan ineens niet zo decentraal meer, terwijl dat toch de belangrijkste garantie is voor de betrouwbaarheid.

Nog een probleem dat een groter groeien van blockchain in de weg staat, is dat nieuwe blokken met informatie die aan de blockchain toegevoegd worden, niet groter mogen zijn dan 1 MB. Die limiet is in 2010 ingesteld om spam en aanvallen van hackers tegen te gaan. Dat betekent dat er een maximum aantal transacties per blok opgeslagen kunnen worden in de blockchain, wat ook weer zorgt voor een maximum van zeven transacties van per seconde. Steeds meer transacties moeten daardoor langer wachten op bevestiging, waardoor het systeem als geheel flink trager wordt. Als bitcoin wil uitgroeien tot serieus betaalmiddel, dan zal het de snelheid moeten benaderen van Visa en Paypal. Die bedrijven kunnen duizenden transacties per seconde verwerken.

Over de vraag of de block-grootte dan maar weer verhoogd moet worden, woedt al twee jaar een stammenstrijd die de blockchain-gemeenschap zo splijt dat het wel ‘Bitcoins constitutionele crisis’ wordt genoemd. Inmiddels wordt er hard gewerkt aan nieuwe technieken die de impasse zouden kunnen doorbreken.

Opportunisme

Met al die fundamentele problemen is het verwonderlijk dat er toch zoveel vertrouwen is in blockchain. Blockchain is een spannend buzzword. Het is iets dat velen niet helemaal begrijpen maar wat desondanks omarmd wordt door ondernemende consultants en techno-optimisten (net zoals eerder cloud computing, big data en internet of things). Paul Bessems bijvoorbeeld, zelfverklaard thought leader, pionier en ‘blockchain consultant’, bepleit een nieuwe organisatiestructuur, blockchain-organiseren. Hij baseerde het concept op de uitgangspunten die de stichters van blockchain hanteerden. “Blockchain moet je zien in een breder kader, breder dan alleen technologie,” vindt hij. Bessems geeft toe dat hij graag aansluit bij alle aandacht voor blockchain. “Je zou het opportunistisch gedrag kunnen noemen. Het is zoals Victor Hugo zei: ‘Niets is krachtiger dan een idee waarvoor de tijd rijp is.’ De tijd is nu rijp om dingen fundamenteel anders te gaan organiseren.”

Volgens Kees Haverkamp is blockchain dan ook een hype die ertoe leidt dat mensen toepassingen gaan bedenken die niet voor de hand liggen. “Als je een enorme fan bent van tractoren en je wilt op wintersport met de tractor, dan kan dat. Het is duurder, langzamer en je bent hartstikke moe als je aankomt, maar het kan. Ik zou zelf liever een stationwagon pakken, want dat werkt beter. Maar ja, iedereen is nu ineens fan van tractors.” Volgens Haverkamp zijn het gewoon “opportunistische investeringsmaatschappijen en banken die achter een hype aanrennen”. “De gedachte achter blockchain vind ik te gek, maar ik ben een nuchtere Brabander. Ik moet 23 mensen salaris betalen en dat gaat niet met luchtfietsen. Daarom wachten we ermee.”

Lykle de Vries gelooft dat de gouden tijd voor blockchain vanzelf komt. “Blockchain en bitcoin volgen gewoon de Gartner hype cycle, net als internet en de mobiele telefoon hebben meegemaakt. Eerst weet niemand ervan, dan komt het in het nieuws en stijgen de verwachtingen immens. Dan valt het tegen, en weer twee jaar later zie je toepassingen. We zitten nu in het piekjaar van blockchain. Volgend jaar zul je overal horen dat het toch te moeilijk is of te duur, en ‘we krijgen het in onze bedrijfstak niet voor elkaar’. Maar daarna zul je zien dat het ineens toch overal nuttige toepasingen heeft gekregen.”

Interview Simone Giertz: “Waardeloze robots veel leuker dan perfecte robots”

Waarom zouden robots altijd nuttig moeten zijn? Het enige nut dat de robots van YouTube-ster Simone Giertz hebben, is mensen vermaken met hoe knullig ze zijn. Daar zijn ze wel erg goed in: de komische filmpjes van robots die ruw haar tanden poetsen en het ontbijt over de keukentafel gieten, zijn al miljoenen keren bekeken.

Publicatie: KIJK, juni 2016

Simone Giertz noemt zichzelf de ‘koningin van de waardeloze robots’. Op haar YouTube-kanaal demonstreert ze mechanische robots die ze maakt om dagelijkse klusjes te automatiseren – een wekker-robot bijvoorbeeld die haar wekt door haar met een nep-hand in het gezicht te slaan, en een apparaat dat met twee vervaarlijke keukenmessen op een snijplank groente in stukken hakt. Hoewel ze pas een jaar slechte robots maakt, is Giertz al een ware ster op YouTube. Ze heeft inmiddels een vast publiek van ruim 152.000 abonnees en elke nieuwe video wordt tientallen miljoenen keren bekeken op YouTube en Facebook.

Behalve video’s van robots die wild om zich heen zwaaien met armprotheses en keukenmessen, plaatst Giertz ook andere video’s, zoals over haar woonboot in Stockholm. In een video waarin ze de kijker rondleidt op haar oude sleepboot, is te zien dat ze meer maakt dan alleen robots. Aan het plafond hangt bijvoorbeeld een lamp die ze maakte van witte plastic lepels en in de keuken hangt een keukenkast van staven betonijzer.

Sinds een paar weken maakt Simone Giertz deel uit van het team achter de technologie-website Tested.com, waar ze zal samenwerken met Adam Savage van de bekende televisie-serie Mythbusters. Voor haar debuut maakten ze samen een helm die de drager automatisch popcorn voert – al gaat de helft ernaast.

Waarom bouw je liever grillige robots dan goed werkende robots?

Ik ben zeker niet tégen perfecte, glimmende robots. Ik vind ‘shitty robots’ bouwen gewoon veel leuker. Door iets te bouwen dat niet nuttig hoeft te zijn, geef je jezelf veel meer creatieve vrijheid. Daarom is het maken van waardeloze dingen een cruciaal onderdeel van elk creatief proces. Als je iets probeert te creëren, moet je niet zo streng zijn voor jezelf. Je moet veel verschillende dingen uitproberen. Zelfs als je echt wil innoveren en iets wil gaan maken dat werkelijk nuttig is, dan is het heel belangrijk om te beginnen met dingen die niet echt werken.

Hoe komt het dat jouw video’s met waardeloze robots zo’n hit zijn?

Robots zijn normaal zo serieus. Mijn shitty robots zijn zoiets als een zakenman in luiers. Als je robots iets heel mafs doen, dan is dat hetzelfde contrast. Er is iets heel grappigs aan iets dat heel serieus is, iets heel belachelijks doet. Maar om eerlijk te zijn: ik ben heel erg verbaasd dat mijn videokanaal zo groot is geworden. Ik snap er niks van. Het internet is echt een heel rare plek, dat dit soort dingen er kunnen gebeuren.

Wat wil je vooral bereiken met je robots?

Veel van wat ik doe gaat gewoon om plezier hebben. Het enige dat ik erg serieus neem is plezier hebben in het gebruik van de gereedschappen. Er zit niet echt een groter idee achter mijn chaotische robots. Ik wil graag dingen maken met elektronica en daar mensen mee vermaken. Het gaat vooral om laten zien wat je allemaal kunt met technologie en elektronica. De leukste feedback die ik krijg is van mensen die zeggen ‘je hebt me geïnspireerd om ook dingen te gaan maken’. Veel van mijn robots zijn al nagemaakt door anderen. Iemand heeft bijvoorbeeld een miniatuur-versie van mijn applaus-machine gemaakt. Het hele ding is maar zo groot als een hand, echt heel schattig.

Aan welk gereedschap beleef je het meeste plezier?

Ik heb een schuimsnijder. Dat vind ik heel fijn gereedschap, omdat het zo rustgevend is om ermee te werken. Hij snijdt als een mes door de boter. Maar ik zou echt niet kunnen leven zonder soldeerbout. Toen ik in San Francisco werkte had ik een hele goeie. De soldeerbout die ik nu gebruik is behoorlijk waardeloos, maar ach, hij doet het. En ik doe toch geen surface mount soldering meer. Dat vond ik wel echt heel erg leuk trouwens, van die minuscule componenten op printplaten vastmaken. Je moet het niet doen als je een lage bloedsuikerspiegel hebt en je handen erg gaan trillen, dan is het vreselijk. Maar anders is het een heel meditatieve, kalmerende bezigheid; muziekje erbij en hop, onderdeeltjes solderen.

Als je een robot gaat maken, hoe pak je dat dan aan?

De eerste stap is een idee hebben. Of eigenlijk je heel erg vervelen. Als ik iets heel saais moet doen, zoals de administratie, dan gaat mijn brein in brainstorm-modus en krijg ik ineens een heleboel ideeën. Dan ga ik bouwen, en dan werkt het niet, en dan bouw ik het opnieuw, en dan werkt het te goed. Vaak maak ik de robot nog wat waardelozer, voor de amusementswaarde. Van mijn applausmachine bijvoorbeeld heb ik een van de handen een beetje losgemaakt, zodat die eraf zou vallen. Dat leek me grappiger. Ik wil altijd iets maken dat vermakelijk is, dat is het belangrijkste doel. Vervolgens zet ik een video van de robot online en ben ik een week lang bezig met reageren op commentaren.

Sommige mensen associëren elektronica nog steeds met jongensspeelgoed. In hoeverre is dingen maken nog steeds vooral iets voor mannen?

Ik kan niet zeggen dat mijn borsten in de weg zitten als ik wat wil maken. Absoluut niet alleen iets voor mannen dus. Als je er puur statistisch naar kijkt, dan zijn er wel veel meer mannen bezig met elektronica. Dat is een product van de samenleving en de wetenschap die traditioneel behoorlijk door mannen werd gedomineerd. Het is belangrijk dat er vrouwelijke rolmodellen zijn op dit gebied, maar ik praat eigenlijk alleen over vrouwen in techniek als ik geïnterviewd word, omdat journalisten er altijd naar vragen. Ik ben vooral bezig om dat rolmodel voor mezelf te worden.
Wat ik wel zie, ook bij andere vrouwen, is dat veel mensen er maar vanuit gaan dat ze het niet kunnen, omdat dingen bouwen met technologie intimiderend is. Het is intimiderend zolang je er niks over weet. Toen ik opgroeide, zag ik mezelf ook niet als een technisch persoon. Maar toen zag ik andere vrouwen wel programmeren en leren over elektronica en toen dacht ik ‘wacht eens, waarom ga ik ervanuit dat ik dat niet kan of dat ik er niet goed in zou zijn’ en toen ben ik er gewoon mee begonnen. Er lopen zo veel goede mensen rond met aannames over wat ze wel en niet kunnen, en dat is gewoon onzin. Die aannames moet je laten varen.

Het mantra van de makersbeweging is ‘iedereen kan alles maken’. Maar niet iedereen kan toch alles?

Natuurlijk wel, iedereen kan dingen bouwen en creëren. Ik ben geen ingenieur en in het begin vond ik elektronica ook best lastig. Ik ploegde me maar overal doorheen door alles op te zoeken met Google, maar soms weet je niet eens wat je moet googelen. Het is wel een flinke uitdaging, maar ik denk dat iedereen het kan.
Het helpt zeker om hulp te hebben en wat begeleiding. Je moet niet bang zijn om dingen te vragen. Het meest geweldige aan een groot publiek hebben, is dat duizenden superslimme mensen mijn video’s bekijken die me willen helpen en mijn vragen willen beantwoorden. Voorheen ging ik naar mijn lokale openbare werkplaats om daar mensen te vinden die wisten wat ik wilde weten.

Waar zal deze groeiende maak-beweging uiteindelijk toe leiden?

Het leidt tot democratisering van techniek en uitvinden. De gereedschappen voor innovatie en creatie in de handen van meer mensen, dat is waar het heen gaat. Fotografie heeft zich ook op die manier ontwikkeld. Camera’s werden goedkoper en zeker toen foto’s maken digitaal kon, toen kreeg je ineens mensen die foto’s van hun voeten gingen maken en van andere dingen waar ze normaal nooit tijd of geld aan zouden hebben besteed om te fotograferen. Dat is wat er gebeurt als techniek goedkoper, toegankelijker en makkelijker wordt. Hetzelfde gaat hopelijk gebeuren met code en elektronica, zodat meer mensen ermee kunnen spelen.
De 3D-print-revolutie zie ik nog niet zo voor me. Ik kan me nog niet voorstellen dat iedereen een 3D-printer in huis heeft staan. Misschien in de toekomst, maar nu? Ik ben een fulltime-maker en uitvinder en ik gebruik de 3D-printer zelden. Mogelijk is het omdat mijn brein nog niet zo gewend is om te denken in 3D-modelling.

Wat moeten mensen doen als ze net zo’n ster op YouTube willen worden als jij?

Mijn YouTube-kanaal was niet altijd al een grote hit. Voordat ik begon met video’s over de robots die ik bouwde, zette ik al tweeënhalf jaar komische sketches online, in het Zweeds. Ik deed dat alleen omdat ik het leuk vond. Dat is volgens mij heel belangrijk – je moet echt content maken die je zelf leuk vindt, anders zit je op het verkeerde pad.

Wat zou je graag nog doen of leren?

Ik wil heel graag leren lassen. Dat zou weer een boel nieuwe projecten mogelijk maken. Misschien eerst aluminium lassen, omdat dat past bij veel van mijn projecten, maar dan zou ik ook het grotere werk willen doen. Misschien een megabot bouwen. Maar eerst ga ik mijn eerste project opnieuw bouwen, een gitaar met uitrolbare snaren. Dat wordt heel leuk, omdat het mijn allereerste project was en ik het nu goed kan doen. Maar er komen nog meer shitty robots aan. Ik ga meer samenwerken met Adam Savage. Ik verhuis zelfs binnenkort naar San Francisco en we gaan dingen bouwen in zijn werkplaats. Ik hoop dat hij mijn sensei wil zijn, zoals in The Karate Kid. Verder wil ik meer doen met robotica. Ik wil iets bouwen dat zichzelf ergens naar toe kan verplaatsen. Ik wil ook veel meer leren over circuits ontwerpen. Er is nog zo veel om te leren.

 

Wie is Simone Giertz?

Simone Giertz (1990) studeerde natuurkunde, maar stopte al na een jaar. Wiskunde vond ze erg leuk, maar programmeren ging haar minder goed af.

In San Francisco werkte ze als ‘maker in residence’ bij productontwerp-bureau Punch Through Design aan projecten met hun Arduino-achtige elektronica.

Twee jaar geleden ging een van haar komische video’s al viraal in Zweden. De titel was ‘Waarom ik slecht ben in dating’.

Een recent succes is een uArm-robotarm die voor haar typt door het hoofd van een winkelpop over het toetsenbord heen en weer te rollen.

Haar handleidingen voor onder andere een mini-ukelele, de tandenborstel-machine en een geit met LED-oogjes zijn te vinden op makers-website Instructables.com.

Lars Magnus Ericsson, de Zweedse uitvinder en oprichter van het bekende telefonie-bedrijf, is de overgrootvader van haar moeder.

De robots van Simone Giertz zijn te zien op https://www.youtube.com/simonegiertz

Hagelslag verkopen met een zelfverzonnen legende

Reclamemakers noemen het ‘storytelling’: vertel een mooi verhaal rond je product, dat slaat beter aan dan domweg iets te koop aanbieden. Twee reclamejongens trokken dan ook veel aandacht met hun hipster-hagelslag waarmee ze de Amerikaanse markt willen veroveren. Maar het bijbehorende verhaal blijkt een fabeltje.

Brokjes chocola in een mooie glazen fles met een kurk erop, dat is nog eens wat anders dan een ordinaire lading hagelslag uit een kartonnen pakje.

Reclamemakers Lennart de Jong en Robbert Vos geloven dat ze met hun hip vormgegeven product en een goed verhaal hagelslag kunnen verkopen aan Amerikanen. Het Kickstarter-project waarmee ze hun broodbeleg genaamd Hagelswag lanceerden is al een eind op weg.

Het mag wat kosten, zo’n mooi product. Voor een fles met 258 gram chocola betaal je 20 euro; een pak 400 gram pure fair trade hagelslag kost in de supermarkt nog geen twee euro. Omgerekend naar kilo’s is het ruim 77 euro tegen 4,75 euro: Hagelswag is zestien keer duurder dan ‘gewone’ chocoladehagel.

Lennart de Jong legt uit waar dat prijsverschil vandaan komt. “Het is zeker een andere prijs dan we misschien gewend zijn van broodbeleg in de supermarkt. Wij hebben dan ook op een andere manier naar dit product gekeken.”

De twee marketeers wilden een gezondere, lekkerdere hagelslag en stapten daarom naar een chocolatier (“een van de betere”) en vroegen hem met hele goede kwaliteit chocola voor op brood te maken. “Dan begin je al in een iets ander segment. Dit is de chocola waar ze ook bonbons van maken.”

Chocolatier uit de Gouden Eeuw

De hagelslag-innovatie trok afgelopen week veel media-aandacht. Het heeft dan ook álles: een typisch Nederlandse lekkernij, Hollandse jongens die Amerika willen veroveren, fris design én een mooie ontstaansgeschiedenis die begint in de Gouden Eeuw. De Jong en Vos hangen hun product namelijk op aan het karakter van ene Gerbrand Slag, een zeventiende-eeuwse chocolatier uit Amsterdam.

Hagelswag noemt hem als ‘original founder’. Hij zou de uitvinder zijn van de hagelslag zoals we die nu kennen, om elke dag op je brood te doen. Die uitvinding wekte echter de wrok op van zijn collega-chocolademakers, aldus het creatieve duo Vos&Len in hun Kickstarter-video, omdat hij van chocola zo een product maakte voor ‘gewone mensen’.

Gerbrand Slag zou daarom in 1656 een grote lading hagelslag hebben gemaakt en daarmee zijn vertrokken naar Nieuw-Amsterdam, aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Maar, vertellen Vos en De Jong, Slags schip (de Prins Maurits) zonk in het zicht van de haven in het nieuwe land. Slag en zijn bemanning overleefden het, maar de hagelslag niet.

Dat is de reden dat Amerika Nederland wel kent van de tulpen en de klompen, maar niet van de hagelslag. En dat willen de heren nu rechtzetten, onder de slogan ‘Finishing Gerbrand’s journey’.

Ze ‘werken in zijn geest’ en gebruiken de beste bonen en pure, natuurlijke producten, want: “Gerbrand Slag werkte alleen met de beste ingrediënten”. Duo Vos&Len weet kennelijk nogal wat van de geschiedenis van de tot nu toe onbekende Gerbrand Slag.

Maar hoe bloedserieus ze het prachtige verhaal ook vertellen – het roept ook vragen op. Hoe komt het dat twee Amsterdamse reclamemakers zo’n historische vondst doen, zomaar als ze hun idee voor een nieuw product onderzoeken? Is dat niet ongelofelijk bijzonder?

Geschiedenis van hagelslag

Volgens Lennart de Jong is het begonnen toen ze tijdens de lunch een nieuwe hagelslag bedachten en ‘Hagelswag!’ riepen. “Toen kwam Robbert twee dagen later terug met een stukje onderzoek naar de geschiedenis van hagelslag.”

Wie zoekt naar het ontstaan van hagelslag, vindt al snel het verhaal dat hagelslag rond 1919 is bedacht door B.E. Dieperink, de directeur van snoepfabriek Venco. Dat staat Hagelswags verhaal niet in de weg, menen de reclamejongens. “Goede ideeën kennen vele vaders, en zo is het ook met hagelslag. Venz pretendeert de eerste te zijn, De Ruijter idem dito. Het verhaal dat wij hebben gehoord, klopt voor ons veel meer qua werkelijkheid.”

Venco’s originele recept van hagelslagdeeg is ten minste te vinden in het Amsterdams Stadsarchief. In dat archief zoeken op de naam Gerbrand Slag levert niks op. Google geeft alleen de enthousiaste nieuwsberichten over Hagelswag van afgelopen week – en één verwijderde Wikipedia-pagina.

Nep-artikel op Wikipedia

De auteur van de pagina is iemand met de gebruikersnaam TrevorObbs, een naam die elders online wordt gebruikt door Robbert Vos. TrevorObbs is een anagram van zijn naam. Op de pagina stond “Gerbrand Slag was een Nederlandse banketbakker die leefde in de 17e eeuw. Hij wordt gezien als de ontdekker v…”.

Een vrijwilliger van Wikipedia verwijdert de pagina op 20 oktober 2014 met de opmerking: “omdat het overduidelijk een nep-artikel is”. Het aanmaken (en weghalen) van het artikel gebeurde een maand nadat Robbert Vos en Lennart de Jong, volgens de tijdlijn op hun Kickstarter, begonnen met Hagelswag.

Heeft Hagelswag Gerbrand Slag echt niet gewoon zelf verzonnen? Lennart de Jong: “Ik kan je vertellen dat we zoveel mogelijk research hebben gedaan. We zijn naar Het Scheepvaartmuseum gegaan, zijn in logboeken gedoken. We weten wel wat van reclame en storytelling, maar dit wisten we niet. Ook wij kunnen niet met zekerheid zeggen dat het klopt, net als andere merken niet kunnen zeggen dat hun verhaal klopt. Dit is wat wij geloven.”

Hoe komt het dan dat Nederland die beroemde, innovatieve chocolatier Gerbrand Slag is vergeten? De Jong: “Slag betekent in het Amerikaans ‘slet’. Wij denken dat Slag zijn achternaam mogelijk heeft veranderd en daarom niet meer te vinden is.”

Maar ook dat is niet aannemelijk. Het klopt wel dat ‘slag’ volkstaal is voor prostituee of promiscue vrouw, maar volgens de Oxford English Dictionary is dat pas zo sinds halverwege de twintigste eeuw. De allereerste vermelding van slag in het Engels is in de betekenis van ‘lafaard’, maar dat is in 1788 – ruim honderd jaar na Gerbrand Slags vermeende reis.

Cacao alleen gedronken

Technisch kan het eigenlijk ook al niet, hagelslag als broodbeleg in de zeventiende eeuw. Historicus Peter Scholliers van de Vrije Universiteit Brussel legt het graag uit, “want ik houd van chocola”. Scholliers leidt de onderzoeksgroep Sociaal en Cultureel Voedingsonderzoek en is redacteur bij vakbladen zoals Food & History.

“Ik vind het bijzonder mooi dat die twee jonge mannen zo gebruik maken van het verleden om hun product aan de man te brengen. Het is een mooi verhaal hè. Maar ik ben ook zeer sceptisch. Goed gevonden, maar ik betwijfel het in grote mate”, zegt Scholliers. “Amsterdam was toen het New York of Tokyo van nu. Dat er veel gebeurde, staat als een paal boven water. Maar cacao werd toen alleen gedronken.”

Chocola in vaste vorm eten breekt pas door rond 1870. De woorden chocolatier en chocola verschijnen sowieso pas in het eerste kwart van de negentiende eeuw, vertelt Scholliers. “Het woord chocolat in de betekenis van vandaag, als reep of plak, werd niet gebruikt tot in 1850.”

Hoge technologie

Nadat de Venco-directeur op het idee kwam dat witte, broze korrels met een anijssmaak als broodbeleg zouden kunnen dienen, zou het nog tot 1936 duren voordat Venz met de productie van chocoladehagelslag kon beginnen. Dat is veel plausibeler, vindt Scholliers.

“Hagelslag is een product van hoge technologie. Als je in de pre-industriële periode chocola wil maken, dan moet dat manueel. Hoe geraak je dan op hagelslag? Met een halve dag werken heb je misschien 100 gram.”

Met de voedingsnijverheid in 1936 is het perfect plausibel, denkt Scholliers. “Het verhaal over een zeventiende-eeuwer die misschien naar Nieuw-Amsterdam is gevaren, dat kan allemaal waar zijn, maar het lijkt me toch een marketing-aangelegenheid.”

Brief over schipbreuk

Diederick Wildeman, conservator zeevaartkunde en bibliotheekcollecties van het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, wil wel even opzoeken of de reis met de Prins Maurits inderdaad heeft plaatsgevonden. En warempel, dat schip is daadwerkelijk in 1656 vertrokken vanaf Texel, en is in 1657 vergaan voor de kust van Long Island. Dus dat deel van het verhaal van Hagelswag klopt!

“Nou ja, dit is alles. Is die man ook aan boord?” vraagt Wildeman retorisch. “Ze kunnen hier in het museum geweest zijn en dit schip eruit hebben gepikt. Het verhaal zou nog steeds op duizend-en-een manieren kunnen kloppen, maar om meer te kunnen nagaan, moeten ze een bron noemen en op welke regels het staat.”

Aan de hand van de informatie van het Scheepvaartmuseum is ook een brief terug te vinden die koloniebestuurder J. Alrich op 13 april 1657 schreef aan zijn meerderen in Amsterdam over de schipbreuk van de Prins Maurits. Alrich schrijft dat alle ‘droge goederen’ op tijd van het zinkende schip konden worden gehaald. Alleen wat bouwmaterialen zoals stenen en smidskolen gingen ten onder; de consumptiegoederen werden gered. De brief maakt nergens melding van een lading hagelslag.

Vierhonderd sponsors

Desgevraagd kan Robbert Vos geen exacte bron noemen voor het bestaan van Gerbrand Slag. “We hoorden dat verhaal, en zijn het gaan uitzoeken. We vonden heel veel kleine stukjes informatie, waarvan we op een gegeven moment hebben gezegd: ‘Dit is zo inspirerend voor ons, dat we er graag in geloven.’ Of Slag echt bestaan heeft kunnen we niet bewijzen, maar dit verhaal is voor ons rond en we willen het graag met de wereld delen.”

Hagelswag heeft nu vierhonderd sponsors en zit met nog negen dagen te gaan op bijna twee derde van hun doel van 30.000 euro. In augustus wil Hagelswag flessen gaan produceren, om in oktober te beginnen met leveren.

Misschien moet dat zonder storytelling en zonder Gerbrand Slag, want het heeft er alle schijn van dat de fraaie ontstaansmythe van Hagelswag regelrecht uit de duim is gezogen.

Publicatiedatum:
20/05/2016

Slimme meter makkelijk af te lezen voor iedereen

Ondanks de strikte privacyregels zijn de data van álle huishoudens met een slimme meter in te zien, voor iedereen die erom vraagt.
Kort gesprek op Radio 1 waarin ik uitleg hoe data uit alle slimme meters bij iedereen terecht kan komen: http://www.radio1.nl/popup/terugluisteren-programma/3/2015-01-29 (tweede fragment, vanaf 1’10″00)

Elektriciteitsbedrijven zijn deze maand begonnen in het hele land slimme meters te installeren. Zij kunnen dankzij de nieuwe digitale meters op afstand de meter uitlezen en de gebruikers zelf krijgen beter inzicht in hun energieverbruik. Nu blijkt echter dat er zó slordig met die gegevens wordt omgesprongen, dat het verbruik van elk huishouden met een slimme meter is in te zien voor iedereen die erom vraagt.

Sinds de eerste huishoudens als proef een slimme meters kregen, zijn er enkele tientallen websites en mobiele apps opgekomen waar mensen hun eigen verbruik kunnen volgen. Het idee is dat mensen zo gemakkelijk kunnen zien hoe ze op hun energierekening kunnen besparen. Veel van die diensten controleren echter niet of degene die zich aanmeldt, ook daadwerklijk op het opgegeven adres woont.

Op Goeiepeer.nl bijvoorbeeld, een site van Natuur & Milieu en netbeheerders Enexis en Liander, kunnen mensen met een slimme meter hun verbruik vergelijken met dat van anderen. Als iemand een account aanmaakt, stuurt de site een verzoek naar de netbeheerder om de gegevensstroom aan te zetten. Er is geen controle op het adres. Zelfs het opgeven van een valse naam voorkomt niet dat je na drie tot vijf werkdagen te zien krijgt hoeveel energie de bewoners verbruiken. Dat gaat niet verder dan het stroomverbruik per 15 minuten en de gasmeterstand per uur, maar het is voldoende om ruwweg te kunnen opmaken bijvoorbeeld wanneer mensen thuis zijn, hoe laat ze naar bed gaan en opstaan, hoe hoog de verwarming staat en hoe vaak ze douchen.

Brief

Een andere website waar mensen inzicht kunnen krijgen in hun energieverbruik, is SlimmemeterPortal.nl. Die site stuurt wél een brief met een unieke code die mensen moeten invullen op de site. Eigenaar Eric Carbijn vindt het belangrijk om zorgvuldig met de data om te gaan, juist omdat je er veel aan kunt afleiden: “Ik kan redelijk goed benaderen hoeveel mensen er in een huis wonen. We hebben wel eens geprobeerd te raden of ze er dochters of zonen hebben, want dochters douchen veel langer. We zaten eng dichtbij. Zeker als je veel data hebt om mee te vergelijken, dan kun je heel veel uitrekenen.”

Carbijn denkt dat zijn concurrenten geen brief sturen vanwege de extra kosten: “Ik ken geen andere partijen die dat doen. Ze vinden dat een te dure optie.” Folkwin Emaar, als projectmanager betrokken bij Goeiepeer.nl, geeft nog een reden: “We hebben er wel bewust over nagedacht of we nog een verificatiestap zouden inbouwen, bijvoorbeeld een brief met daarin een unieke code. Maar dat zou een extra drempel zijn voor mensen om mee te doen. Er is een risico, maar dat dekken we af door mensen akkoord te laten gaan met voorwaarden waarin staat dat zij echt op dat adres wonen.”

Om gegevens van de netbeheerders te ontvangen, hoeven de ‘onafhankelijke dienstaanbieders’ (ODA) nu alleen met een directieverklaring te beloven dat ze hun uiterste best doen te controleren of hun klanten wonen waar ze zeggen te wonen. In de praktijk vindt een aantal het voldoende dat nieuwe klanten beloven daar eerlijk over te zijn. Behalve Goeiepeer.nl controleren ook de app Energy Vikings en de website Enelogic de identiteit van nieuwe aanmeldingen niet. Er zijn ook apps die een gebruiker vragen om het nummer van de meters, maar alleen energieleveranciers zoals Essent kunnen dat, omdat zij weten welke meter bij welk adres hoort.

Spiegel

Het is de netbeheerders en energiebedrijven verboden, op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens, om meetgegevens aan derden te geven. Dat mag alleen als een klant daar nadrukkelijk toestemming voor geeft. Zij mogen dat niet afschuiven op onafhankelijke dienstaanbieders en die kunnen hun verantwoordelijkheid weer niet zomaar opzij schuiven in hun algemene voorwaarden, bevestigt het College bescherming persoonsgegevens (CBP).

Waarom geven de netbeheerders, die de energietransportnetwerken in Nederland beheren, de gegevens uit de slimme meter dan gewoon door zonder vragen te stellen? André Jurjus, directeur van branchevereniging Netbeheer Nederland: “Je verwacht niet dat mensen dit doen. Als de ODA zegt ‘ik heb een mandaat van de klant’, dan gaat de netbeheerder ervanuit dat de ODA zich aan de wet gehouden heeft.” Hij hoort ervan op dat het mogelijk is om gegevens van vreemden uit te vragen. Helemaal als hij hoort dat we kunnen zien dat hij op zijn eigen huisadres géén slimme meter heeft: “Tot nu toe gingen de netbeheerders ervanuit dat de poort voldoende op slot zat, maar dat blijkt nu te makkelijk gedacht. Wij moeten in de spiegel kijken en ons afvragen wat ons te doen staan.”

Er zijn nu ruim 900.000 huishoudens met een slimme meter. De overheid wil dat in 2020 ten minste tachtig procent van de Nederlandse huishoudens een slimme meter heeft. Weigeren mag en de communicatie met de netbeheerder uit laten zetten kan ook, maar slechts drie procent van de huishoudens doet dat.

Moet dat nou, een bestuurbare kakkerlak?

Hoe leer je scholieren hoe het zenuwstelsel werkt? Het bedrijf van twee Amerikaanse neurobiologen biedt lesmateriaal aan dat meer indruk maakt dan een schoolboek: een setje waarmee je kakkerlakken op afstand kunt besturen. Een goed idee of onethisch?

Neurowetenschapper en technicus Greg Gage demonstreerde begin deze maand in Detroit een nieuw product. Een kakkerlak krabbelde over de vloer met een chip en een batterijtje op zijn rug. Gage bepaalde in welke richting het insect liep door zijn iPhone te gebruiken als een afstandsbediening.

De kakkerlak reageert op signalen van elektroden in zijn voelsprieten. De chip op zijn rug ontvangt de signalen die de smartphone verstuurt via Bluetooth. Wie het wil proberen, kan nu zo’n RoboRoach-kit bestellen: 99 dollar plus 38 dollar verzendkosten (totaal: 100 euro). In november begint Backyard Brains, Gages bedrijf, met het verzenden van de elektronica en dan moet ook de app voor de iPhone beschikbaar zijn.

Doe-het-zelf-experiment
Om een kakkerlak te besturen, moet je wel eerst zelf de elektronica bevestigen. Een video op backyardbrains.com laat de operatie zien. Om te beginnen verdoof je de kakkerlak door hem in een bakje met ijswater te leggen. Als hij koud genoeg is, beweegt hij niet meer en kun je makkelijk de operatie uitvoeren. Een stukje van het exoskelet opschuren en dan met wat hobbylijm een stekkertje met drie dunne zilveren draadjes op de kop van de kakkerlak plakken. Dan knip je beide voelsprieten halverwege af. Je steekt in elke voelspriet een draadje, dat je vastzet met wat secondelijm. Vervolgens maak je een gaatje in de thorax, het borststuk van de kakkerlak. Daar gaat ook nog een draadje in om het signaal te aarden. Het RoboRoach-printplaatje steek je vervolgens in de connector. Als de cyborg-kakkerlak weer op temperatuur is, is hij direct klaar voor gebruik.

Backyard Brains presenteert de RoboRoach als een neurowetenschappelijk doe-het-zelf-experiment. Het bedrijf verkoopt al een paar jaar bijzondere educatieve apparatuur. De SpikerBox bijvoorbeeld, een draagbaar elektrofysiologisch laboratoriumpje. “Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat een waanzinnig ding vind”, zegt Marten Hazelaar, docent biologie van Christelijke College De Populier in Den Haag. “Het is een apparaatje waar je heel mooi actiepotentialen mee kunt meten. Je knipt een poot af van een kakkerlak en daar steek je twee spelden in. Vervolgens kun je de signalen tussen zenuwcellen horen en zien.”

De SpikerBox wordt op meer Nederlandse scholen en universiteiten gebruikt, omdat het een betaalbare manier is om neurofysiologische proefjes te doen. Hazelaar: “Neurobiologie is een moeilijk, belangrijk onderwerp van het examenprogramma. Dat kun je uitleggen met animaties en plaatjes, maar voor het eerst kun je er echt iets aan meten. Dat is wel geweldig hoor. Veel beter dan een verhaal op het bord of een YouTube-filmpje.”

Didactisch geweldig
De nieuwste innovatie van Backyard Brains vindt hij ook erg interessant, en tegelijkertijd dubieus. “Het vertelt een hoop over wat er mogelijk is en hoe precies men tegenwoordig hersenen kan beïnvloeden. Didactisch is het geweldig. Je kunt zo leerlingen heel geboeid krijgen over hoe neurobiologie werkt. Maar ik zou het nooit doen. Een kakkerlak is toch een levend organisme waar je een soort ontzag voor moet hebben. Een levend organisme reduceren tot een grappig apparaatje gaat me veel te ver.”
Niet alle biologiedocenten zullen er zo over denken. Piet Blankers, biologiedocent op een middelbare school in Best: “We kunnen niet bewijzen dat insecten geen pijn hebben, maar ik heb daar zelf niet zoveel problemen mee. Het lijkt me gaaf om te laten zien in de les.”

Neurofysicus John van Opstal is verklaard voorstander van het gebruik van proefdieren. Hij gebruikt bij zijn onderzoek in het Donders-instituut in Nijmegen rhesusaapjes om erachter te komen wat er in de hersenen gebeurt bij ruimtelijke waarneming. “Als mensen kakkerlakken al zielig gaan vinden… Dan moet je je ook afvragen of planten iets voelen als je erin gaat zitten bijten. Waar houdt het dan op?”

Aanrommelen
Scholieren laten experimenteren met een levende kakkerlak lijkt hem een goed idee: “Op scholen wordt veel te weinig aan wetenschap gedaan. Dit is misschien een beetje raar, en akelig, maar als je met heel bescheiden middelen kunt kijken hoe zo’n mechanisme in elkaar steekt, door te meten en te besturen, dan vind ik dat uitermate goed. Op een middelbare school zou dat best moeten kunnen.”

Dat de bestuurbare kakkerlak overkomt als een speeltje, zit Van Opstal niet dwars: “Dat er idioten zijn die er een spelletje van maken, dat zal best, maar dat is niet de bedoeling van Backyard Brains. Zij willen zorgen voor een laagdrempelige manier om metingen te doen, zodat meer mensen toegang hebben tot zulke technieken. Als het al een spelletje is, dan is de lol er snel van af hoor.”

Pim Haselager, als filosoof en psycholoog verbonden aan hetzelfde Donders-instituut voor hersenonderzoek, ziet niet wat er zo educatief aan is. “Als scholieren hier iets van leren, dan toch niet de juiste dingen. Ze leren dat wetenschap is: rommel maar wat aan. Begin maar met snijen en implanteren en dan zie je wel wat de effecten zijn. Ze leren gebrek aan respect voor dieren en ik zie niet in wat dat met wetenschap te maken heeft. Wat ik zie, is een bedrijf dat setjes verkoopt. Dit is geïnstrueerd dierenleed waar geld aan verdiend wordt onder het mom van educatie.”

Populair voedseldier
Backyard Brains levert de benodigde kakkerlakken mee, maar niet bij internationale bestellingen. Nederlandse klanten moeten dus zelf aan kakkerlakken zien te komen. De Amerikanen gebruiken grotere kakkerlakken dan de soorten die in Nederland rondlopen. Zijn kakkerlakken als de Blaberus discoidalis of de doodshoofdkakkerlak (Blaberus craniifer) hier te krijgen? Ja hoor, geen probleem: winkels als De Vogelkelder en Terrariumkoerier.nl verkopen sprinkhanen, wormen en ook kakkerlakken als voer voor reptielen. Kakkerlakken zijn populair als voedseldier vanwege hun hoge proteïne-gehalte.

Stefan Coenen van Terra Equipment verkoopt Blaptica dubia voor twee euro twintig per tien. Maar het idee om een chip vast te plakken op kakkerlakken om ze te kunnen besturen bevalt hem helemaal niet: “Het lijkt me heel erg raar. Ik snap niet dat dat zomaar verkocht mag worden. Dat is toch dierenmishandeling?” Zijn collega van Terrariumkoerier.nl heeft er veel minder moeite mee: “Ik kan dinsdag een partij grote kakkerlakken hebben. Die chip lijkt me ook wel leuk om aan te bieden, als stunt. Heb je voor mij een adres waar ik ze kan importeren?”
Mag je in Nederland überhaupt levende insecten ombouwen tot radiografisch bestuurbare dieren? Wetenschappers hebben te maken met de Wet op de Dierproeven en strenge dierproevencommissies. Invertebraten, de ongewervelde dieren, vallen echter niet onder die wet en kunnen zonder problemen gebruikt worden voor experimenten. Maar we hebben ook nog de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren. Die geldt voor alle dieren, ook die zonder ruggegraat. Artikel 36 zegt dat het verboden is ‘om zonder redelijk doel … bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen’.

De Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ziet toe op naleving van de regels door bedrijven. Kakkerlakken invoeren en houden mag en kakkerlakken doden in het kader van ongediertebestrijding is ook toegestaan. De NVWA heeft de RoboRoach nog niet onderzocht, maar de woordvoerder is na het zien van het filmpje vrij duidelijk: “Voelsprieten afknippen, daar elektroden in steken en elektronica op het lijf plakken, dat is in strijd met artikel 36. Als je dat doet, dan overtreed je de wet.”

‘Manipulatie niet noodzakelijk’
Backyard Brains bezweert dat de kakkerlakken geen pijn voelen. Insecten hebben namelijk wel een zenuwstelsel, maar geen centraal brein om pijn mee te voelen. De Amerikanen noemen als bewijs voor gevoelloosheid dat de RoboRoach-kakkerlakken zich vrij snel aanpassen aan de signalen via hun voelsprieten. Na een dag of vijf reageren ze zelfs helemaal niet meer op de prikkels via de elektroden. Is die korte ‘gebruikstijd’ niet extra cru? Van Opstal: “Vijf dagen met één kakkerlak doen vind ik heel lang! Veel mensen beschouwen een kakkerlak als ongedierte en daar gaan ze direct op staan! Of ze strooien gif zodat ze op een andere manier kapotgaan. Mensen staan er niet bij stil wat ze dieren aandoen.”

Frauke Ohl, hoogleraar dierenwelzijn en proefdierkunde aan de Universiteit Utrecht, vindt dat geen argument: hele erge daden kun je niet goedpraten met andere erge daden. Zolang je niet zeker weet of invertebraten ongerief kunnen ervaren, moeten we er wat haar betreft maar van uitgaan dat het wel zo is: “Ik vind het ook nuttig dat scholieren leren dat lagere dieren iets hebben als een zenuwstelsel, maar het is niet noodzakelijk om ze daarvoor dat zenuwstelsel te laten manipuleren.”

Onaanvaardbaar
Ohl onderzoekt juist hoe het gebruik van dierproeven kan worden beperkt. De video van de RoboRoach vindt ze ‘shocking’. “Er wordt toch op een vrij lichte manier de dramatische instrumentalisering van een dier getoond. Om lagere dieren als mechanische instrumentjes in te zetten en daar op geen enkele manier ethische context bij te geven, dat vind ik onaanvaardbaar.”

Of insecten pijn kunnen voelen, doet er niet eens toe. Waarom zou je je bemoeien met de natuurlijke levensloop van beesten, vraagt Pim Haselager zich af: “Ja, als je last hebt van ongedierte dan ga je dat bestrijden. Maar beesten manipuleren is iets heel anders. Of ze nou een rijk gevoelsleven hebben of niet doet er niet toe. Het is een heel normaal principe: wat leeft dat respecteer je. Daar blijf je van af als je er niks mee te maken hebt.”

Tijdens een science-project vorig schooljaar wou een meisje een raketauto maken van ijs, vertelt biologieleraar Marten Hazelaar. “Dat is grappig, zoiets kunnen we proberen. Maar biologie is geen technologie. Biologie gaat er niet om te kijken of alles kan, nee, je wil begrijpen. Zo’n RoboRoach voegt niet zo veel toe aan het begrijpen. Dit is te veel een gadget om het in de les te gebruiken.”

Publicatiedatum:
17/10/2013

Tweede Kamer was nog nooit zo veel aanwezig

Hoe vaak zijn Tweede Kamerleden aanwezig in de Tweede Kamer? Na uitgebreid datajournalistiek onderzoek konden collega Daan Marselis en ik in NRC Handelsblad concluderen: opvallend vaak!

Ik bouwde een scraper om de Handelingen van alle plenaire vergaderingen van de afgelopen 19 jaar binnen te halen. Met een ander script turfde ik vervolgens voor alle 2.546 vergaderingen van de Eerste en Tweede Kamer welke Kamerleden wel en niet aanwezig waren. Met die gegevens in de database konden we de opkomst van de volksvertegenwoordigers analyseren.

We vonden een paar interessante verbanden, zoals een klein verschil tussen linkse en rechtse partijen, en dat fractievoorzitters meestal een stuk minder vaak aanwezig zijn dan hun fractie. Maar vooral de historische ontwikkeling is interessant: de gemiddelde opkomst van de Tweede Kamer stijgt de laatste jaren en afgelopen jaar boekte het parlement zelfs een record. Niet eerder waren Tweede Kamerleden zó veel aanwezig als in het afgelopen jaar.

Met dank aan het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Hieronder volgt het complete artikel (een iets langere versie dan wat we publiceerden in het NRC).

NRC 21082013 aanwezigheid Kamerleden

KOPSUGGESTIE
Kamerleden vaker aanwezig dan ooit

TEKST
Daan Marselis en Jaap Meijers

INTRO
Tweede Kamerleden waren het afgelopen jaar vaker aanwezig op vergaderdagen dan in de twee decennia ervoor. Dat blijkt uit onderzoek van NRC Handelsblad. Fractievoorzitters debatteren vaker mee en de bezetting op links is iets minder hoog dan die op rechts.

BROODTEKST
Marianne Thieme reist veel, richt overal ter wereld partijen voor de dieren op, schreef afgelopen jaar een boek en maakt bovendien documentaires. “Daarvoor bedenk ik het format en ik zit ook zelf in een aantal van die documentaires.” Je zou bijna vergeten dat Thieme eigenlijk Kamerlid is, en ook nog de fractievoorzitter van haar partij.
Het is niet toevallig dat Thieme van alle fractievoorzitter het minst aanwezig is in de Tweede Kamer. Sinds 2006 was ze op 71 procent van de vergaderdagen present. Die relatief lage opkomst is een politieke keuze, zegt ze aan de telefoon. “Wij zijn een emancipatiebeweging en een getuigenispartij en we hebben ervoor gekozen om juist veel buitenparlementair te doen. We willen agenderen en zowel binnen als buiten de Kamer het bewustzijn over dierenrechten vergroten.”
Dan past het niet om bij alle vergaderingen aanwezig te zijn. Thieme probeert er wel te zijn bij alle fractievoorzittersdebatten. Ook is ze present als de Kamer onderwerpen bespreekt waarover grote maatschappelijke verontwaardiging bestaat. Om de parlementaire verantwoordelijkheden niet te verwaarlozen is in de tweehoofdige PvdD-fractie een taakverdeling afgesproken: Esther Ouwehand doet de debatten. Zij is dan ook fors meer aanwezig, namelijk 83 procent.
Dat blijkt uit een onderzoek dat NRC Handelsblad uitvoerde naar de aanwezigheid van parlementariërs in de periode 1994 tot nu. Voor het onderzoek baseerden we ons op de presentielijsten zoals die zijn opgenomen in de Handelingen. In die verslagen zijn de namen opgenomen van de leden die op die dag hun handtekening zetten op de zogenaamde ‘tekenlijsten’. Die liggen bij drie ingangen van het Tweede Kamergebouw.
De tekenlijsten dienen om te bepalen of de vergadering van start kan gaan. Daarvoor moeten 76 van de honderdvijftig volksvertegenwoordigers aanwezig zijn. Dit heet het ‘quorum’. Kamerleden die na aanvang van de vergadering binnenkomen, kunnen zich in de plenaire zaal alsnog melden bij de griffie.
Omdat de lijst alleen bedoeld is om te bepalen of de vergadering kan starten, vindt een aantal Kamerleden het tekenen ervan niet belangrijk. Het tekenen van de lijst is bovendien niet verplicht. Kamerleden krijgen ook geen tekenvergoeding zoals in het Europees Parlement. Wel is het goed gebruik om de lijst bij binnenkomst te tekenen. Zoals SP-Kamerlid Jan de Wit zegt: “Het is het eerste dat je nieuwe collega’s leert.”
Volgens Kamerleden wordt het tekenen van de presentielijst desalniettemin regelmatig vergeten. Veel gehoord: Kamerleden die via de fietsenkelder binnenkomen, tekenen niet aangezien daar geen lijst ligt.
Of neem Luuk Blom, die tussen 2002 en 2010 in de Kamer zat. Met zijn gemiddelde aanwezigheidspercentage van 62 procent is hij één van de minst aanwezige PvdA’ers. Naar eigen zeggen is dat te verklaren door zijn buitenlandportefeuille waarvoor hij veel op reis was. Daarnaast was hij niet ‘consciëntieus’ genoeg om de lijst iedere keer te tekenen, waardoor zijn naam af en toe twee weken lang niet in de Kamerverslagen voorkomt. “Ik was er dus wel. Ik was gewoon te laks om te tekenen denk ik.”
Laksheid. Voorzitter Anouchka van Miltenburg van de Tweede Kamer (sinds haar voorzitterschap 95 procent aanwezig tegen 80 procent voor die tijd) laat via een woordvoerder weten dat ‘het tekenen van de tekenlijst de verantwoordelijkheid is van de individuele leden.’ Meer wil ze niet over het onderwerp zeggen.
Alle (oud-)Kamerleden en deskundigen die NRC voor dit artikel sprak, benadrukken dan ook dat een naam op de presentielijst weinig zegt over het functioneren van een individueel Kamerlid. Ook willen ze geen uitspraken doen over een minimaal vereiste aanwezigheid

Uit de aanwezigheidscijfers blijkt dat Thieme niet de enige fractievoorzitter is die minder vergaderdagen bijwoont. Fractievoorzitters zijn over het algemeen minder aanwezig dan hun collega’s uit de fractie. Maxime Verhagen bijvoorbeeld was 62 procent aanwezig. Twintig procentpunt minder dan de CDA-fractie onder zijn leiding.
Oud-staatssecretaris Pieter van Geel (CDA) was fractievoorzitter van begin 2007 tot half 2010. Zijn aanwezigheid als fractievoorzitter was 51 procent. Opmerkelijk is dat hij als niet-voorzitter nog minder aanwezig was, namelijk 47 procent.
Ook Halsema maakte als fractievoorzitter van GroenLinks net iets meer dan de helft van de vergaderdagen mee. Voordat haar rol veranderde, was dat nog 86 procent. Halsema: “Dat ik als fractievoorzitter minder tekende heeft bijvoorbeeld te maken met een verhuizing. We gingen van de ene kant van het Kamergebouw naar de andere kant en bij die deur lag geen tekenlijst.”
Ze vindt een analyse van de tekenlijst geen geschikt instrument om af te lezen of ze functioneerde als Kamerlid, omdat die lijst louter dient om het quorum te halen. “Als je weet dat je die dag niet in de plenaire zaal hoeft te zijn en je hebt ook geen stemmingen, dan teken je niet, ook al ben je er wel. Iedereen weet dat ik ongelooflijk hard gewerkt heb als Kamerlid.”
Wel kan ze zich voorstellen dat de handtekening van fractievoorzitters minder op de presentielijsten prijkt. “Fractievoorzitters doen minder plenaire debatten dan andere Kamerleden. Je moet ook leiding geven aan de fractie en nadenken over de strategie. Bovendien moet je veel gesprekken voeren met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Dat maakt dat fractievoorzitters minder zichtbaar zijn in plenaire debatten. Dat laat je over aan de fractiespecialisten.”
Toch lijkt er wat veranderd. De aanwezigheid van de huidige fractievoorzitters van grootste partijen ligt aanmerkelijk hoger dan die van hun voorgangers, namelijk 18 procentpunt.
Sybrand van Haersma Buma, sinds oktober 2010 voorzitter van de CDA-fractie, is 75 procent aanwezig: minder dan zijn fractie, maar 13 procentpunt meer dan voorganger Verhagen.
Geert Wilders, fractievoorzitter van de PVV, blijkt in die functie zelfs meer aanwezig dan toen hij nog gewoon Kamerlid was voor de VVD. Wilders is niet alleen een van de langst zittende Kamerleden, maar hij is er ook altijd. Over zijn hele periode 94 procent.

Kamerleden komen zo’n honderd dagen per jaar bij elkaar voor plenaire vergaderingen. Uit de cijfers blijkt dat Tweede Kamerleden de meeste van die dagen goed bezoeken. De gemiddelde aanwezigheid ligt in de hele periode december 1994 tot nu op 85 procent.
Tussen 2002 en 2006 is er wel een dip in de opkomst te zien. Het zijn de jaren waarin de LPF in de Kamer zit. Die partij begint met een gemiddelde opkomst van 87 procent, maar zakt snel weg en kent daarna veel afsplitsingen. Over het algemeen komen leden van afsplitsingen een stuk minder opdagen bij vergaderingen. Dat geldt ook voor afsplitsingen van andere partijen. De Kamerleden die de LPF trouw blijven, herstellen zich iets in de jaren 2005 en 2006. De gemiddelde opkomst komt dan net boven de zeventig procent uit.
De dip in aanwezigheid blijft niet tot de LPF beperkt. Kamerbreed blijven meer zetels leeg dan in voorgaande periodes. Mogelijk ook een gevolg van de politieke onrust destijds. Kamerleden moesten meer hun gezicht in het land laten zien. Een andere verklaring is dat er relatief veel nieuwelingen de Kamer instroomden, zoals een enkel Kamerlid zegt. Zo zorgde Kamerlid Ali Lazrak, die er meer niet dan wel was, ervoor dat de gemiddelde aanwezigheid van de SP-fractie in die periode zakte tot onder de 70 procent. Overigens waren ook Piet de Ruiter (wegens ziekte) en fractievoorzitter Jan Marijnissen maar weinig in de Kamer te zien.
Nu zittende fractievoorzitters zijn vaker aanwezig dan hun voorgangers, maar daar blijft het niet bij: de hele Tweede Kamer blijkt vaker aanwezig te zijn. Het huidige parlement heeft zelfs een record geboekt. Tot nu toe was het zittende parlement gemiddeld 90 procent aanwezig op vergaderdagen. Het hoogste percentage in de hele periode sinds 1994.
Volksvertegenwoordigers en politicologen schrijven de hogere aanwezigheid in de afgelopen jaren toe aan de drukte in de Kamer. Het aantal debatten en stemmingen neemt toe (zie tabel). Het is crisis. Politicoloog Kristof Jacobs: “Tijdens Paars I en Paars II was het juist heel rustig. Het spotlight staat er meer op de laatste jaren, met alle debatten over crisis en bezuinigen. Het doet er nu wel toe.”
Met name van het stijgende aantal hoofdelijke stemmingen gaat een zekere dreiging uit. Anders dan bij reguliere stemmingen, telt bij hoofdelijke stemmingen namelijk de individuele aanwezigheid van ieder Kamerlid. De oppositie kan zo gebruik maken van de afwezigheid van collega’s uit het regeringskamp. Juist regeringspartijen moeten daarom zorgen dat te allen tijde het grootste deel van hun fractie in het gebouw is. Immers, als een regeringspartij niet voldoende stemmen kan leveren, maak je in de coalitie geen vrienden.
Nog dwingender zijn moties van wantrouwen. Als coalitiepartij moet je de ministers kunnen steunen als het moeilijk wordt. En omdat moties van wantrouwen per direct in stemming moeten worden gebracht – zoiets laat je tenslotte niet in de lucht hangen – moeten Kamerleden op vergaderdagen altijd in de buurt zijn, desnoods midden in de nacht.
Zo haalde PVV-Kamerlid Barry Madlener begin februari een stunt uit. Hij wilde midden in de nacht een motie van wantrouwen tegen premier Mark Rutte in stemming brengen. In allerijl werden Kamerleden wakker gebeld, maar omdat niet voldoende Kamerleden konden worden opgetrommeld, werd de stemming uitgesteld tot de volgende ochtend.
Dat de vergaderdruk toeneemt, is goed te zien in de opkomst per dag van de week. Traditioneel vinden de stemmingen vooral op dinsdag plaats. Die dag was altijd al het best bezocht en dat is nog steeds zo. Uit de aanwezigheidsstatistieken blijkt nu dat de woensdag en de donderdag de laatste jaren steeds belangrijker worden in het ritme van Kamerleden (zie tabel). Dit komt voornamelijk doordat Europa de afgelopen jaren meer aandacht vroeg. Grote Europese besprekingen vinden vaak in het weekend plaats. De donderdag is dan de laatste dag waarop de Kamer het Kabinet een boodschap mee kan geven.
Opvallend is dat linkse partijen vaker lege zetels hebben dan rechtse partijen. Het verschil is klein maar significant: 3 procentpunt over de afgelopen negentien jaar. In de Eerste Kamer is dat verschil er ook. Tussen grote en kleine partijen lijkt verder geen verschil in aanwezigheidspercentage te zijn.
Het verschil tussen links en rechts is te verklaren vanuit de taakopvatting van die politieke partijen. Zo is de SP opgericht om maatschappelijke problemen naar de Kamer toe te vertalen en streeft ook de PvdA een grote aanwezigheid in de regio na. Beide partijen vinden dat voor dergelijke bezoeken eventueel ook vergaderdagen gebruikt mogen worden.
Het lijkt er daarom op dat die toegenomen vergaderdruk voornamelijk linkse partijen raakt. Fractiesecretaris Ronald van Raak van de SP: “Als er vroeger op de donderdag een actie in de thuiszorg was, dan vloog je daar op af. Nu moet je rekening houden met stemmingen en debatten. De Kameragenda verandert vaak tijdens de week. En door de dreiging van hoofdelijke stemmingen is er op de dinsdag, woensdag en donderdag veel meer kans dat je teruggefloten wordt.”

Kamerleden die werkbezoeken plannen op vergaderdagen hoeven aan de rechterkant van het politieke spectrum op een stuk minder begrip te rekenen. Dat blijkt uit gesprekken met leden van het CDA en de VVD.
Zo plant CDA-Karmerlid Pieter Omtzigt zijn werkbezoeken altijd buiten de vergaderdagen om. “Een Kamerlid is er om wetten te maken en de regering te controleren,” zegt hij. “Dus als er een debat is waar jij als woordvoerder aanwezig moet zijn, dan moet je er zijn. Bij stemmingen ook, dat is de hoofdzaak.”
Maar ook Omtzigt is er soms niet op vergaderdagen. “Ik zit bijvoorbeeld namens de Kamer in de Raad van Europa zit. De bijeenkomsten daarvan vinden vaak doordeweeks plaats.”
René Leegte van de VVD, die vrijwel altijd aanwezig is, zegt zelfs dat er naast de drie vergaderdagen nog vier dagen in de week over zijn voor werkbezoeken. En Stientje van Veldhoven (D66) plant werkbezoeken altijd op maandag, vrijdag of in het reces.
Maar ook bij een heel hoge opkomst kunnen vraagtekens gezet worden. Politicoloog Joop van den Berg: “In de Tweede Kamer kom je nergens achter. Maatschappelijke ontwikkelingen spelen zich in de maatschappij af, niet in de Tweede Kamer. De aanwezigheid in het gebouw is daarom allerminst het hoogste goed.” Daar is Marianne Thieme het mee eens. “Als je blijft meemarcheren met traditionele politiek ga je niet de revolutie krijgen die je wilt.”

Publicatiedatum:
02/09/2013

Page 1 of 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén