Eerlijke Media

journalist en maker Jaap Meijers

Categorie: Schrijven (Page 2 of 2)

Autonome auto’s: rustig sms’en achter het stuur

Robots zijn overal. Ze worden slimmer, zelfstandiger en mogen steeds meer beslissen. Op één vlak nemen ze binnenkort letterlijk het stuur van ons over: in het verkeer.

Op een parkeerplaats achter de faculteit Werktuigbouwkunde van de Technische Universiteit Eindhoven staat een bijzondere vrachtwagen. De rode DAF-truck ziet er normaal uit, maar toch staat hier de toekomst van het vrachtverkeer. Dankzij wat sensoren en een extra computer achterin de cabine, kan deze vrachtwagen remmen en gas geven, zonder tussenkomst van een chauffeur.
Boven de spiegel aan de bijrijderkant is bovendien een korte, witte antenne gemonteerd. Daarmee kan de truck communiceren met andere slimme auto’s. Voorliggers kunnen een seintje geven als ze afremmen, waarop de computer van de truck direct kan reageren, veel sneller dan een chauffeur zou kunnen.
Dat heet coöperatief rijden. De student die het portier opent, studeert er op af. Door auto’s zelfstandiger te maken, kun je de menselijke fouten uit het verkeer halen, vertelt hij. Auto’s die elkaar op de hoogte houden, kunnen dichter op elkaar rijden, zonder dat het risico van een botsing toeneemt. Het systeem zorgt voor meer veiligheid, lager brandstofverbruik en een efficiënter gebruik van de weg.

Binnen zit hoogleraar ‘dynamics & control’ Henk Nijmeijer in zijn kantoor vol stapels papier én een grote autoband in de hoek. In zijn vakgebied worden voertuigen die tijdens het rijden met elkaar overleggen pelotons genoemd, een konvooi vormen heet platooning. ‘Dat kunnen we inmiddels. In ieder geval in testsituaties. Er zijn geen voeten meer nodig om gas te geven. Nu willen we ook de handen van het stuur.’
Dat moment is niet meer ver weg. Auto’s zijn de laatste jaren ‘denkende’ machines geworden. Navigatiesystemen vertellen niet alleen waar je heen moet, maar ook of je te hard rijdt. Nissan kwam in 2001 als eerste met een systeem dat het stuur laat trillen om de bestuurder te waarschuwen als hij de eigen weghelft verlaat.
Maar de slimmigheid gaat steeds verder. De meeste intelligente systemen in auto’s zijn nu nog bedoeld om de bestuurder te informeren. De volgende stap bestaat uit auto’s die actief meedenken en zelfs taken overnemen.
Sommige modellen hebben bijvoorbeeld een ingebouwde parkeerassistent, die met piepjes en camerabeelden laat weten hoeveel ruimte er nog zit tussen achterbumper en een paaltje. Maar waarom zou je inparkeren überhaupt nog overlaten aan de bestuurder? Er zijn al auto’s op de markt, zoals de Ford Focus en Audi A3, die volautomatisch kunnen fileparkeren. Je hoeft er soms niet eens meer voor achter het stuur te blijven zitten.
Veel merken bouwen tegenwoordig een ‘pre-crash-systeem’ in: auto’s met zo’n systeem waarschuwen de rijder voor een aanstaande botsing. Maar het blijft al niet meer bij eenvoudig waarschuwen. Sommige auto’s schakelen de remmen in om een ongeluk te voorkomen, nog voordat de bestuurder de situatie heeft kunnen inschatten.

Ditsum
Het trotse centrum van Nederlands automotive-onderzoek bevindt zich in Helmond. Automotive Campus NL is een bedrijventerrein dat er misschien niet spectaculair uitziet, maar waar spannend onderzoek wordt gedaan. DITCM, de Dutch Integrated Test Site for Cooperative Mobility (door medewerkers gemakshalve uitgesproken als ‘Ditsum’), is dé plek waar bedrijven, overheid en onderzoeksinstituten samen werken aan de zelfstandige auto van de toekomst.
Het coöperatief rijden wordt uitgebreid getest op het circuit van het onderzoekscentrum. Maar ze gaan ook al de openbare weg op.
Vlakbij de automotive campus ligt een bijzonder stukje snelweg, de A270 tussen Helmond en Eindhoven. Over vijf kilometer staat elke honderd meter een witte paal met antennes en een camera. DITCM heeft met de gemeente afgesproken dat ze een paar keer per jaar dat stuk mogen afsluiten om er tests te houden.
In het buitenland maakt dat behoorlijk indruk, vertelt Joëlle van den Broek, voor TNO projectleider van DITCM: ‘De collega’s van het Duitse testcentrum vielen van hun stoel toen ze hoorden dat wij een stuk snelweg mogen afsluiten. Zeker toen we vertelden dat we met auto’s rijden die nog niet gründlich zijn getest, en zelfs met vrijwilligers… Dat zou daar echt niet kunnen. Daarom is DITCM zo aantrekkelijk. Wij proberen dingen gewoon uit.’
In de controlekamer van TNO hangen monitoren die testgegevens en live beelden van het verkeer laten zien. Vorig jaar sloten de onderzoekers een paar keer de snelweg af om kunstmatig files te creëren. Van den Broek: ‘een derde van alle files ontstaat doordat mensen steeds iets langer remmen dan de auto voor ze. Zulke schokgolven kun je voorkomen.’
Hoe goed dat lukte, was voor de onderzoekers een grote verrassing. Ze gingen ervan uit dat de meeste auto’s intelligentie aan boord zouden moeten hebben om spookfiles te voorkomen. Uit de experimenten op de A270 bleek dat al bij tien tot twintig procent slimme auto’s het verkeer veel beter door te stromen.

Autonoom
In een grote, bijna lege hal, staan auto’s waar TNO mee experimenteert. Voor het coöperatief rijden paste TNO zes Priussen van Toyota aan. Bastiaan Krosse, programmaleider Cooperative Driving van TNO, start een Prius en rijdt de elektrische auto bijna geruisloos naar voren. Hij laat het schermpje in het dashboard zien waarop hij uit drie typen cruise control kan selecteren: ‘Priussen krijgen in de fabriek al normale cruise control en adaptive cruise control ingebouwd. Wij hebben daar dus cooperative adaptive cruise control aan toegevoegd, de virtuele stang tussen auto’s.’
Zulke uitbreidingen zijn verbazingwekkend gemakkelijk in te bouwen. Net als veel andere moderne auto’s is de Prius zo geavanceerd, dat er amper gesleuteld hoeft te worden, vertelt TNO-onderzoeker Bart Scheepers. ‘We hebben een wifi-zender toegevoegd voor de communicatie, maar verder bijna niks. Een radar, GPS-ontvanger, alles zit er al in.’
Hij laat de achterbak van de Prius zien: er liggen een paar kleine zwarte kastjes met knipperende lampjes in. ‘Voorheen moesten we een auto helemaal ombouwen. De achterbak van zo’n auto lag dan helemaal vol met regelcomputers en andere apparatuur. Nu kunnen we in een à twee dagen een standaard Prius ombouwen tot een coöperatief rijdende auto.’

Maar als de technologie al zo vergevorderd is, hoe lang duurt het dan nog voordat auto’s ons echt helemaal zelfstandig kunnen vervoeren? De directeur van autofabrikant Volvo, Stefan Jacobi, zei tijdens een autobeurs in juni dat het hard nodig is dat auto’s zelf gaan rijden. Anders wil de volgende generatie misschien helemaal geen auto meer, denkt hij: ‘Tieners zien de bestuurdersplaats als een plek waar ze niet steeds online kunnen zijn. Velen van hen vinden voortdurend verbonden zijn belangrijker dan het hebben van een rijbewijs en een auto.’
De huidige situatie moet dus worden omgekeerd: geen campagnes om mensen te vragen niet te sms’en en te bellen tijdens het rijden, maar auto’s die dat gewoon mogelijk maken door de besturing over te nemen. Volvo heeft bekendgemaakt in 2014 met een autonoom systeem te willen komen. De auto zou zelf kunnen rijden in verkeer tot vijftig kilometer per uur. Vooral het filerijden zou de bestuurder uit handen worden genomen. Cadillac wil in 2015 met een autonome auto de openbare weg op.

Dure sensoren
Google is al zo ver. Het internetbedrijf kreeg in Californië en Nevada toestemming om met een autonome auto op de openbare weg te rijden. Maar die auto kost een miljoen dollar en dat is volgens de onderzoekers in Brabant niet de manier. Scheepers: ‘In die auto kun je echt achterin gaan zitten. Maar hij is uitgerust met ontzettend dure sensoren. Er moeten nog heel veel stappen gezet worden om tot productiemodellen te komen. Wij kijken veel meer naar de korte termijn en betaalbare systemen.’
Maar volledig autonoom rijden gaat dus ooit kunnen? Professor Nijmeijer gelooft er niet écht in: ‘Een auto vol sensoren en computers kun je best autonoom laten rijden. Maar alles van tevoren doorrekenen kan niet. De wereld is zo complex en dynamisch. Wat als je op een tweebaansweg rijdt, het stormt, er zijn auto’s aan het invoegen en de communicatieverbinding valt weg? Er zijn altijd situaties waarvoor je niet alle informatie hebt.’
Joëlle van den Broek van TNO: ‘Je zult nooit altijd autonoom kunnen rijden. Het hangt ook af van je definitie: wat is autonoom? In ieder geval gaat het sneller dan we dachten. Eerst dachten we dat autonoom rijden pas zou kunnen in 2040. Nu houden we het op 2020.’

In Rotterdam rijdt al een busdienst zonder chauffeur, de Parkshuttle. Wel op een vrije busbaan, want de Nederlandse wet stelt een chauffeur verplicht als het traject niet gescheiden is van het verkeer. In 2005 botsten twee bussen op elkaar na een fout van de centrale. De software die aanrijdingen moest voorkomen, bracht de voertuigen niet snel genoeg tot stilstand. Die was namelijk ingesteld op stilstaande obstakels, niet op rijdende collega’s.
Hét grote obstakel op de weg naar autonoom rijden is veiligheid. Daarom richt het meeste onderzoek zich op de betrouwbaarheid. Bastiaan Krosse van TNO weet daar als projectmanager van de afdeling ‘vehicle safety’ veel van: ‘Er zijn Europese organisaties bezig met bedenken hoe je auto’s kunt gaan certificeren voor de weg. Ze formuleren waar de auto tegen moet kunnen en bij welke scenario’s de inzittenden er nog zelf uit kunnen kruipen. Dan kun je gaan testen. Wat je moet doen, is heel veel kilometers maken. ‘
Mensen zullen pas in een volautomatische auto durven stappen als die geen rare dingen doet. Krosse: ‘We verwachten van een robot veel meer. Als hij het maar iets beter doet dan een mens, dan is hij al nuttig. Maar als een robot iemand doodrijdt, dan vinden we dat veel erger dan wanneer een dronken chauffeur dat doet. ‘
Ergens is zulk wantrouwen gek, vindt hij: ‘We zijn vaak bang voor iets dat we elders al normaal vinden. We stappen wel allemaal in een vliegtuig dat de grootste deel van de tijd op de automatische piloot vliegt. ‘ Tests van producenten laten alvast zien dat mensen heel snel wennen aan een auto die het sturen uit handen neemt.

Automatiseringsverslaving
Het voorbeeld van de automatische piloot in vliegtuigen illustreert nog een interessant probleem voor de toekomst. De Amerikaanse luchtvaartautoriteit FAA waarschuwde onlangs dat piloten langzaam maar zeker vergeten hoe ze moeten vliegen. Ze vertrouwen zo veel op de boordcomputer, dat ze zelf onvoldoende ervaring hebben als het erop aankomt. Een voormalig piloot en FAA-official had het zelfs over ‘automatiseringsverslaving’. Stromen onze wegen straks vol met onervaren chauffeurs? En is dat erg?
Het is niet het enige futuristische probleem dat robotauto’s met zich meebrengen. Wat nu als je achteroverleunt op de snelweg, helemaal vertrouwend op de software… en iemand heeft je auto gehackt? Krosse: ‘Gelukkig zijn we ook bezig met cybersecurity. Zulke gevaren zijn niet alleen een risico, maar ook een markt. Het is gewoon iets dat je moet oplossen. ‘
De bestuurder moet in ieder geval altijd kunnen ingrijpen. Nieuwe auto’s zoals de Prius komen de fabriek uit met een koppelsensor in het stuur. Daarmee kan de auto voelen wanneer de mens weer de macht grijpt.

In de autowerkplaats van de TU Eindhoven staat een autonome robot in aanbouw. Delen van het chassis van koolstofvezel liggen erom heen, maar het frame en de banden zijn onmiskenbaar: een Formule1-auto. Over twee jaar moet hij helemaal klaar zijn en autonoom rondjes over het circuit kunnen racen. ‘Het is een proof of concept, ‘ vertelt student Albert Maas. ‘Op een circuit is het veel makkelijker om auto’s zelfstandig te laten rijden. Er zijn geen kruispunten, geen stoplichten en geen voetgangers. ‘
De ingenieurs in de Formula Student – een race competitie voor aanstaande ingenieurs – hebben serieuze doelen. Over drie jaar moet de racewagen niet alleen klaar zijn en rijden op bio-ethanol – hij moet ook de echte Formule1-coureurs verslaan, soeverein én geheel autonoom. Behoorlijk ambitieus, geeft Maas toe. ‘Absoluut. Maar ja: durf te dromen. ‘

Box: Wegen vol lege auto’s

Willen we dat eigenlijk wel, zelfsturende auto’s? Lambèr Royakkers, universitair hoofddocent Ethiek en Techniek aan de TU Eindhoven, twijfelt daar niet aan: “Je krijgt er veel vrijheid voor terug. Je kunt naar een feest gaan en meer biertjes drinken, want de auto rijdt je naar huis.” De extra veiligheid zal het uiteindelijk winnen van onze angst voor robots: “Ik verwacht dat de techniek over tien tot vijftien jaar zo goed is, dat de politiek het autonoom rijden zal willen toelaten. Het zal zeker een keer gebeuren dat een automatische auto een kind zal doodrijden, maar statistisch zullen ze minder ongelukken veroorzaken dan mensen.”

Zal de overheid autonoom rijden dan ook verplichten, net als de autogordel? “Om het aantal verkeersdoden te verminderen, zal de EU op termijn verplicht stellen dat auto’s zelf afstand houden en remmen voor voorliggers. Misschien is het daarna niet meer gek als we niet zelf meer mogen rijden. Wil het systeem echt goed functioneren, dan moet je zorgen dat er geen mens meer aan te pas komt. Maar dan zijn we zeker twintig jaar verder. De auto’s moeten zich eerst bewijzen.”

Als auto’s zichzelf gaan besturen, wie is er dan eigenlijk schuldig bij een ongeluk? “Nieuwere auto’s hebben al een ‘black box’, het eCall-systeem. Daarmee kun je goed achterhalen of de auto het ongeluk veroorzaakte, of bijvoorbeeld haperende stoplichten. De politiek zou het moeten aandurven om juridisch vast te stellen wat de auto moet kunnen. Dan ligt de verantwoordelijkheid voor de gevolgen niet meer bij de producenten en kunnen zij aan de slag.”

De verwachting dat autonoom rijden zal zorgen voor minder files en minder milieubelasting, vindt Royakkers ‘totale onzin’: “Een autonome auto staat niet van negen tot vijf op één plek. Tijdens je werk kun je hem op weg sturen om bijvoorbeeld de kinderen naar hun sportclub te brengen. Zo komt er juist meer verkeer! Ik denk dat vijftig procent van de ritten lege auto’s zullen zijn.”

Publicatiedatum:
10/01/2013

Ervaring in de Tweede Kamer in acht jaar tijd gehalveerd

Samen met Trouw-collega Marco Visser onderzocht ik de gezamenlijke anciënniteit van de Tweede Kamer. Dat die ervaring afneemt was al wel bekend – oudgedienden verlaten de Kamer en na elke verkiezing verjongt de Tweede Kamer verder – maar wij zochten voor het eerst uit hoe hard die verjonging precies gaat.

Ik haalde gegevens binnen van álle Kamerleden die ooit in de Kamer zaten en rekende voor een reeks datums uit hoeveel jaar parlementaire ervaring er op dat moment in de Kamer zat. Uit die analyse bleek dat de ervaring sneller uit de Tweede Kamer verdwijnt dan tot nu toe werd aangenomen. De afgelopen acht jaar is het gemiddeld aantal zittingsjaren per Kamerlid zelfs gehalveerd.

Publicatiedatum:

14/08/2012

Nederlandse woorden gegijzeld als domeinnaam

Het is precies 25 jaar geleden dat woorden voor het eerst voorzien werden van het achtervoegsel .nl. Sindsdien zijn er 4,2 miljoen van die .nl-domeinnamen geregistreerd – óók door bedrijven die ze alleen maar wilden doorverkopen. Veel namen werden daardoor onbereikbaar voor mensen die er wél iets nuttigs mee zouden willen doen. Hoe zit het anno 2011 met deze talige vorm van kaping?

Voor-onze-neus-weggekaapt.nl
Jaap Meijers – freelance journalist
Antal van den Bosch – hoogleraar Universiteit van Tilburg

In de begindagen van internet was er maar één organisatie op de wereld die de zeggenschap had over de laatste letters van internetadressen, zoals .com en .org. Die organisatie bevond zich in de Verenigde Staten. Op 25 april 1986 werd .nl als een van de eerste landendomeinen overgedragen aan een instantie buiten Amerika – precies 25 jaar geleden dus. Sindsdien werd .nl 4,2 miljoen maal achter een woord of naam geplakt. En de groei is er nog lang niet uit: alleen al in 2010 kwamen er een half miljoen domeinen bij.
Er bestaan inmiddels zó veel domeinnamen dat het bijna niet meer mogelijk is om met een zinnige naam te komen die nog vrij is. Dat kan frustrerend zijn. Fotografe Helena Zanting registreerde bijvoorbeeld onlangs Eco-en-zo.nl voor een site over ecologische bewustwording. Dat adres was haar vierde keus: “Achter één domeinnaam (Eco-logisch.nl) hangt al een mooie website. Twee andere namen (Duurzamen.nl en Duursamen.nl) zijn wel geclaimd, maar worden verder niet gebruikt. Daar baal ik wel van.” Voor haar zakelijke website wilde ze vorig jaar graag Dauw.nl hebben omdat ze die naam ook al voor andere doeleinden gebruikte. Die naam bleek geregistreerd te zijn. “Ik heb de eigenaar van de naam toen gevraagd of hij van de claim wilde afzien. Hij vroeg 2500 euro voor de overdracht. Ik ben daar niet op ingegaan en heb gekozen voor Dauwfotografie.nl”, aldus Zanting.

Peperduur Goedkoper.nl
Dauw.nl was duidelijk in handen van een zogeheten domeinkaper, een handelaar die webadressen opkoopt, in de hoop dat ooit iemand er veel geld voor wil betalen. Het is een lucratieve handel: het grootste bedrijf in deze domeinnamenhandel, Sedo, behaalde afgelopen jaar wereldwijd een omzet van 76 miljoen euro. Het bedrijf verkocht in 2010 naar eigen zeggen 445 .nl-adressen, tegen een gemiddelde prijs van 1359 euro. Een domeinnaam overnemen van Sedo is daarmee een stuk duurder dan zelf een .nl-domeinnaam registreren die nog vrij is. Dat kost tussen de 10 en 15 euro, afhankelijk van welk bureau je inschakelt om het domein te registreren bij de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN).
En dan zijn er nog de extremen. In maart wisselde Goedkoper.nl van eigenaar voor 185.000 euro. Voor zover bekend gingen eerder alleen Vakantie.nl (2,5 miljoen euro), Voetbal.nl (ruim vier ton) en Seks.nl (twee ton) voor hogere bedragen over de toonbank. Waarom betalen mensen zo veel geld voor een simpel woord? Wie een website begint, wil graag dat die site makkelijk wordt gevonden. en korte, herkenbare naam met een .nl-uitgang is daarom het meest gewild, denk maar aan Nu.nl tegenover Peek-cloppenburg.nl (en ook Eco-en-zo.nl). Sommige sites die voor veel geld worden gekocht, wachten op een nóg hogere bieder. Op die peperdure Goedkoper.nl en Seks.nl staan bijvoorbeeld vooralsnog geen echte sites. In de tussentijd laten domeindoorverkopers de sites in hun assortiment vollopen met advertenties. Op die manier kunnen ze zonder moeite alvast wat verdienen aan hun geparkeerde domeinen. Op Boulimia.nl staan daarom nu advertenties als: “Welk dieet is geschikt voor u? Bekijk de populaire diëtentest!”

Tellen
Het gespeculeer met domeinnamen is al jaren grote een ergernis voor velen. En het heeft ook een onethisch kantje: Nederlandse woorden die een nuttig bestaan zouden kunnen hebben op internet worden onttrokken aan iedereen die er goede bedoelingen mee zou hebben. Hoe groot is het probleem inmiddels? In hoeverre wordt het Nederlands online in gijzeling gehouden door mensen die er geld aan willen verdienen?
Om dat na te gaan, zijn we gaan tellen. Daarbij zijn we uitgegaan van lijsten met de meestgebruikte woorden in het Nederlands, die we zelf hebben samengesteld uit een grote verzameling krantenartikelen, pagina’s op Wikipedia, parlementsteksten en transcripties van gesproken taal. We concentreerden ons op zogenoemde inhoudswoorden, en selecteerden de 750 meestvoorkomde zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden en telwoorden. Functiewoorden zoals lidwoorden en voorzetsels hebben we niet geteld. Voor de variatie hebben we ook de honderd populairste jongensnamen in 2010 toegevoegd.
“Under construction”
Verspreid over een paar weken (week 8 t/m 11) zijn we nagegaan op welke manier die woorden gebruikt worden. Een voor een tikten we ze in de adresbalk van onze browser, steeds met .nl erachter. Van de 850 gecontroleerde websites bleek een kwart, 220 domeinnamen, geen ander doel te dienen dan in de verkoop te zijn, zo bleek uit eigen research. Tachtig.nl, Negentig.nl, Honderd.nl – voor een flink bedrag kunt u er de eigenaar van worden. Ook Teun.nl en Niek.nl, Krijgen.nl en Nemen.nl staan te koop, net als Nieuwe.nl, Belangrijke.nl en Belangrijkste.nl. Eén verkoper biedt Meisje.nl aan, “eventueel samen met Jongetje.nl.
Eenderde van de meestgebruikte woorden, 278 stuks, is als website gewoon in gebruik. Echt.nl is van de gemeente Echt, en Huizen.nl van de gemeente Huizen. Hoog.nl is een winkel in hangmatten, Mag.nl verwijst naar schoenmerk MAG, David.nl is een distributeur van gereedschappen en Politie.nl is gewoon de politie.
Naast de jongensnamen hebben we maar geen lijst meisjesnamen opgenomen, omdat we konden vermoeden wat voor sites we dan vooral tegen zouden komen. Nu zagen we slechts een dozijn sekssites, vooral via telwoorden als Achttien.nl en Twintig.nl. Sekssites gaan verder schuil achter woorden waar je het niet van verwacht – tenminste, niet als je ze ziet staan in een lijst werkwoorden, zoals stellen en genomen.
Doorverwijzers
Van woorden waar geen site achter bleek te zitten, gingen we bij SIDN na of ze nog vrij zijn. Vrijheid.nl bijvoorbeeld is geen site, maar de domeinnaam is wel geregistreerd. De naam is van een ICT-bedrijf dat het blijkbaar geen probleem vindt om zo’n mooi begrip werkeloos op de plank te laten liggen.
De rijksoverheid heeft honderden domeinnamen in bezit waar ze niets mee doet, niet alleen namen van ministers, maar ook scheldwoorden als godverdomme.nl, om te voorkomen dat iemand er onprettige dingen mee doet. Net zoals andere organisaties lijkt ook de overheid van veel domeinen vergeten dat ze ze heeft: Euro.nl, School.nl, Commissie.nl en Wet.nl bijvoorbeeld, namen die nu nergens voor worden ingezet.
In totaal bleken 203 van de door ons onderzochte woorden niet beschikbaar als website. Een kwart van de meestvoorkomende woorden is dus wel geregistreerd, maar niet in gebruik genomen door de eigenaren. Twee sites bleken buiten gebruik gesteld door hackers, die eigen boodschappen op de pagina’s hadden geplaatst.
De Telegraaf kocht eind 2010 Vrouw.nl, wat de naam is van een katern in de krant. Het krantenconcern is ook in bezit van Man.nl, maar doet daar niks mee: die domeinnaam verwijst grappig genoeg naar Vrouw.nl. Veel woorden worden alleen maar gebruikt om te verwijzen naar andere sites, zolang de eigenaar geen beter nut weet. Het kan ook een woord zijn waarmee een organisatie graag gevonden wil worden als toevoeging op het eigenlijke webadres. Eiland.nl bijvoorbeeld stuurt bezoekers naar online reisbureau Vakantieshop.nl. In totaal kwamen we met 138 woorden uit op een ander adres.

Parels
Dankzij deze domeinnamen-telling weten we nu hoeveel procent van onze meestgebruikte woorden op internet is ingepikt. De eindstand is als volgt. Van onze woordenlijst is maar eenderde in gebruik als website. 26% is in handen van domeinkapers. 341 woorden (40%) zijn niet in gebruik als website maar ook niet vrij verkrijgbaar. Bij elkaar is dus tweederde van de woorden op internet buiten gebruik gesteld.
Het doet allemaal denken aan de discussies over het claimen van merknamen die geregeld worden gevoerd (ook in Onze Taal). Daarin staan vragen centraal als: mogen de gedeponeerde namen als luxaflex en msn gewoon als soortnaam worden opgenomen in de woordenboeken? En andersom: mogen bedrijven zich ‘gewone’ woorden zomaar toe-eigenen, zoals ABN AMRO ooit deed door het alleenrecht te claimen op ‘dé bank’?
In het geval van de domeinnamen gaat het misschien nog wel een stapje verder. Niet alleen kunnen de partijen met de grootste zak geld bepaalde woorden claimen, maar ze hebben ook nog eens de macht om die woorden buiten gebruik te stellen in websiteadressen. Er zijn dus bepaalde hoeken van het internet waar woorden als seks en goedkoper even niet meer mogen meedoen.
Van de hele lijst van 850 woorden waren nog maar 11 bijbehorende domeinnamen vrij. Als deze steekproef representatief zou zijn voor álle woorden, dan betekent het dat ruim 98 procent van de Nederlandse taal voor .nl-adressen bezet is.
Natuurlijk zullen de populairste woorden van de taal óók de populairste woorden van de kapers zijn. Maar zeker is dat wie op zoek is naar een naam voor een nieuwe website al heel snel moet uitwijken naar experimentele spellingswijzen of moet kiezen voor een buitenlandse uitgang zoals .com of .tv – als de naam daar niet ook al bezet is tenminste.
Slechts iets meer dan 1% van de door ons onderzochte woorden is nog beschikbaar op internet. Om de kapers niet van dienst te zijn, vertellen we liever niet welke woorden dat zijn. Wie die parels uit de Nederlandse taal op waarde weet te schatten, komt ze vanzelf tegen.

Eigenaar.nl zoekt eigenaar
Ruim tweederde van de 850 meestgebruikte woorden zijn als domeinnaam geregistreerd zonder dat er (nog) direct een website aan hangt. Het gaat om
138 (16%) doorverwijzers: woorden die doorverwijzen naar een andere site, waardoor ze onbereikbaar worden voor anderen: Beter.nl (verwijst naar Gezondnu.nl), Discussie.nl (Stand.nl), Invloed.nl (Talentontwikkeling.com), Jeugd.nl (Spangas.nl), Lijst.nl (Lijst.com), Schuld.nl (Belasting.nl), Televisie.nl (Sony.nl), Verlies.nl (Condoleance.nl), Wereld.nl (Smulweb.nl) en Zwarte.nl (Pornofeest.nl).
203 (24%) sites “niet in gebruik”. Veel organisaties en particulieren houden namen bezet doordat ze ze vergeten zijn, of wachten tot ze er tijd voor hebben, iets wat soms erg lang kan duren. Op die wijze stonden onder meer geparkeerd: Aandeel.nl, Foto.nl, Leger.nl, Noord.nl, Onrust.nl en Zoon.nl.
220 (26%) te koop bij domeinkapers. Een (uiterst kleine) greep: Avond.nl, Bedrijf.nl, Concurrentie.nl, Dagen.nl, Eigenaar.nl, Feit.nl, Geweld.nl, Helft.nl, Jaar.nl, Keuze.nl, Lichaam.nl, Meisje.nl, Naam.nl, Onderdeel.nl, Problemen.nl, Ruim.nl, Slecht.nl, Trainer.nl, Uur.nl, Vrede.nl, Wapen.nl en Zwaar.nl.

Publicatiedatum:
01/05/2011

3D-printers: een fabriekje voor ieder huishouden

Een 3D-printer is een apparaat waarmee voorwerpen kunnen worden geprint. Nog maar weinig mensen hebben er een – maar de voorlopers geloven dat hun apparaat de wereld zal veranderen.

In een flink artikel in dagblad Trouw legde ik uit wat 3D-printers zijn, wat er al mee kan en wat er nog niet kan, en hoe de apparaten – misschien – onze economie gaan veranderen.

Toen het artikel in Trouw verscheen (katern De Verdieping), besteedde Radio1-programma Met het Oog op Morgen dezelfde avond aandacht aan het onderwerp. Die uitzending is terug te luisteren via het weblog van Erik de Bruijn.

Ik vind 3D-printers een erg leuk onderwerp en ik was blij dat Trouw het artikel wilde hebben. Een vriendin van mij vond het een typisch artikel van mijn hand: “Ik lees door de regels heen jouw eigen enthousiasme over nieuwe ontwikkelingen en hoe positief dingen kunnen zijn voor iedereen. Dat is leuk om erin te herkennen.”

Publicatiedatum:
10/04/2010

Astronomie in Afrika

Home-made telescopes, cc Carolune
De internationale unie van astronomen besloot afgelopen zomer om astronomie te gaan promoten in ontwikkelingslanden. Voor ZAM Afrika magazine interviewde ik Afrikaanse astronomen, waaronder de enige sterrenkundige in Angola, over hun hoop op een eigen telescoop en de donkere nachten van het donkerste continent.
 
– – – – –
 
Als astronoom in Afrika heb je een nogal eenzaam beroep. De meeste collega’s zitten in het Westen en als je over sterren en planeten begint, kijken landgenoten je aan of je gek bent. Toch heeft Afrika sterrenkijkers nodig.
 

De mooiste sterrenhemel ter wereld is te vinden in Afrika. In het zuiden van Angola en het noorden van Namibië, op 16 graden zuiderbreedte om precies te zijn. Astronoom Jaime Vilinga onderzocht samen met Franse collega’s de kwaliteit van de Angolese atmosfeer: “Het onderzoek liet zien dat daar de omstandigheden voor het kijken naar sterren en planeten een paar maanden per jaar de beste in de wereld zijn. Er is daar geen industrie en geen lichtvervuiling. De melkweg is zó helder dat je het gevoel hebt dat je hem kunt aanraken.”

Op satellietfoto’s van de aarde bij nacht is te zien hoe donker Afrika is: behalve Johannesburg, de kust bij de Middellandse Zee en in het Nijldal is er in het donkere continent amper lichtvervuiling. Ideaal voor astronomen, maar desondanks houden maar weinig Afrikanen zich bezig met het onderzoeken van de kosmos. Van de 10.000 astronomen die wereldwijd lid zijn van de Internationale Astronomische Unie (IAU), komt maar 1,5 procent uit een Afrikaans land – bijna uitsluitend Zuid-Afrika en Egypte. Maar daar willen de sterrenkundigen iets aan doen.

Het is dit jaar 400 jaar geleden dat Galileo Galilei voor het eerst een telescoop gebruikte om de sterrenhemel te bestuderen. Om dat te vieren, is 2009 door de VN en de IAU uitgeroepen tot het internationale jaar voor de sterrenkunde. Om meer mensen te interesseren voor wat er aan de hemel allemaal te zien is, worden er sterrenkijkavonden en onderwijsprojecten georganiseerd. Maar de astronomen maken het zich niet gemakkelijk: ze willen astronomie de komende jaren vooral gaan bevorderen in ontwikkelingslanden.

 
Zonsverduistering
 

Veel grote telescopen staan in landen als Chili, Mexico, Azerbeidzjan en Namibië, omdat daar de omstandigheden voor metingen gunstig zijn. Een paar van ’s werelds grootste telescopen zijn te vinden in Afrika. In Zuid-Afrika staat de Southern African Large Telescope (SALT), een optische telescoop die objecten kan waarnemen met de helderheid van een kaarsvlam op de maan. De Zuid-Afrikanen noemen de telescoop liefkozend ‘Africa’s Giant Eye’. Honderd kilometer van Windhoek in Namibië staat HESS, de grootste telescoop voor gammastraling ter wereld. De grootste radiotelescoop van Afrika, een schotelantenne van 26 meter doorsnee, staat in Hartebeesthoek, een afgelegen vallei op 65 kilometer ten noordwesten van Johannesburg. Daar kan de radiostraling van sterrenstelsels gemeten worden, zonder dat de waarnemingen verstoord worden door radiogolven vanaf de aarde.

Maar dat betekent niet dat de telescopen bevolkt worden door wetenschappers uit die landen zelf. Astronomen hebben in Afrika een beetje een eenzaam beroep, want ze zijn maar met weinig. In Nederland zijn 208 astronomen lid van de IAU; in Angola is dat er één: Jaime Vilinga. “Ik ben een bijzonder geval. Ik ben de enige astronoom in mijn land.” De interesse voor sterrenkunde is vrij groot in Angola sinds de zonsverduisteringen die er in 2001 en 2002 te zien waren en waar vele toeristen en wetenschappers die er op afkwamen. “We reisden naar het platteland en vertelden mensen hoe ze de zonsverduistering moesten observeren zonder hun ogen te beschadigen. Mensen kregen door dat dit geen spel is, maar wetenschap.” Vilinga kon met een beurs solar physics gaan studeren in Parijs. Toen hij in 2006 promoveerde kwamen de UNESCO en de ambassadeur van Angola naar de ceremonie.

Nu is hij 47 en terug in Luanda. “In Angola ben ik nu bekend. Als ze iets over de ruimte willen weten, dan gaan de televisiestations en radiostation snel naar me op zoek.”
De Angolezen dromen over een eigen grote telescoop. “De regering wil in het zuiden een sterrenwacht bouwen, vijftig kilometer van Lubango. Maar ik denk dat het beter is om een Angolees nationaal observatorium hier in de hoofdstad te bouwen, om astronomie zichtbaar te maken. Mijn persoonlijke droom is een entertainment-park waar jonge mensen heen kunnen gaan om te spelen en tegelijkertijd te leren. Met een telescoop, een planetarium en IMAX-films. Ze kunnen er iets leren en misschien denken ze wel ‘ik wil natuurkundige of scheikundige worden’.”
Maar wanneer zijn dromen werkelijk worden, weet hij niet: “Ik doe mijn best, maar het is moeilijk om iets te doen. We komen uit een lange burgeroorlog. Er sterven nog steeds mensen door ongezond water en malaria. Als ik het heb over astronomie, dan vragen mensen: wie is die gek? Hoe kan hij het over sterren en de maan hebben, terwijl er mensen doodgaan door gebrek aan voedsel?”

Twinkelen 

Kevin Govender werkt voor de South African Astronomical Observatory, de organisatie die SALT beheert. Het is er prachtig: “Er is heel veel open ruimte in Afrika. Zelfs de grote sterrenwachten in Chili liggen in de buurt van een stad, maar hier in Sutherland is niks. Alleen donker. Op maanloze nachten kun je wandelen bij het licht van de sterren. Het is een perfecte sterrenhemel. Wanneer de atmosfeer stabiel is, met weinig wind en weinig vocht in de lucht, dan zie je de sterren niet eens twinkelen. Zelfs met het blote oog kun je dan heel scherp zien.”

Afrikanen staan open voor astronomie, meent Govender. “De sterrenhemel is niet vreemd voor ze. Astronomie is een deel van onze cultuur en geschiedenis. Mensen gebruikten vroeger de sterren voor navigatie en als manier om te weten wanneer het tijd was om te zaaien. Er zit ook geloof bij, verhalen over waar dag en nacht en de zon vandaan komen. Toen er nog geen tv was, was de hemel een goede bekende.” Mensen iets vertellen over wetenschap kan lastig kan zijn, weet hij: “Het werkt het best als je eerst met ze praat over wat ze nu geloven. Daarna kun je ze door een telescoop laat kijken en zeggen ‘dit is wat we uitgezocht hebben met technologie’. Laten zien dat Saturnus ringen heeft en Jupiter manen, dat is een krachtige manier om iets te vertellen.”

Hij snapt ook wel dat een dure wetenschap als astronomie niet direct prioriteit heeft voor veel Afrikanen. “Voor de man in de straat is het duidelijk dat we moeten investeren in huizen, niet in telescopen. Maar gelukkig beseft onze overheid wat de potentie is van wetenschap en high-tech onderzoek.” Waarom is het dan toch zo belangrijk dat in Afrika meer aan astronomie wordt gedaan? “Ik heb zelf nucleaire natuurkunde gestudeerd, met een deel astronomie. Ik heb astronomie altijd geweldig gevonden. Je kunt nadenken over de evolutie van ons zonnestelsel of het begin van het universum. Juist omdat het zo moeilijk te begrijpen is, is het zo krachtig. Het inspireert mensen om na te denken, en in Afrika hebben we denkende mensen nodig. We kunnen niet blijven rekenen op voedselhulp, we moeten uitdagingen aangaan en problemen oplossen. Daar zijn ingenieurs en technici voor nodig die daarvoor zijn opgeleid. Astronomie is een vakgebied dat mensen kan inspireren om probleemoplosser te worden, bijvoorbeeld door wiskunde of natuurkunde te gaan studeren.”

Govender: “Als je nu binnenloopt bij de controlekamers van die grote telescopen, dan zie je inmiddels niet alleen meer blanken. “Er werken steeds meer zwarte Afrikanen. De meesten zijn jong en staan aan het begin van hun carrière, bijvoorbeeld als student-onderzoeker. Maar als de leidinggevenden straks met pensioen gaan, dan nemen die Afrikaanse promovendi het over.”

Beginnelingen

De interesse voor wetenschappelijk onderwijs is in ieder geval het probleem niet. In Kenia heeft dr. Paul Baki van de universiteit van Nairobi net een astronomie-opleiding opgezet. Is het wel goed sterrenkijken bij het licht van de stad met drie miljoen inwoners? Baki: “Op de campus valt de lichtvervuiling wel mee. We hebben af en toe erg goed zicht. Soms word ik uitgenodigd door hotels in natuurparken als de Masai Mara, om met een groep amateur-astronomen iets te vertellen aan de gasten. Daar is het pikdonker.”
Zelf raakte Paul Baki in 2001 gefascineerd door astronomie: “Ik was op een congres voor natuurkundigen in India en daar kwam in contact met astronomen. Ik had daarvoor nog nooit een telescoop gebruikt. Toen ik terugkwam, ben ik meteen begonnen met het ontwikkelen van een studie astronomie en astrofysica.” De eerste groep van dertig studenten is net in oktober begonnen. “Voor wat betreft het opleiden van astronomen zijn we nog beginnelingen. We hebben geen observatorium. We hebben wel docenten, maar die zijn zelf opgeleid in theoretische natuurkunde. Het is dus nogal een uitdaging.”

Baki weet zich gesteund door collega-astronomen in de rest van de wereld. In de IAU is een strategisch plan aangenomen voor de komende tien jaar, waarin staat dat de astronomen-unie de infrastructuur voor astronomie in ontwikkelingslanden wil verbeteren, door regeringen te adviseren en onderwijsinstituten te ondersteunen. De astronomen menen dat meer aandacht voor sterrenkunde goed is voor de ontwikkeling van hoger onderwijs, wat weer goed is voor de economie.

Er staat dan ook veel te gebeuren. Als de douane een beetje meewerkt, ontvangt Kevin Govender in Zuid-Afrika binnenkort 3.000 telescopen die gedoneerd zijn door de IAU. Paul Baki wacht ook nog, maar ook daar zullen 251 telescopen bezorgd worden om te gebruiken op scholen en in voorlichtingsprogramma’s. In Nigeria en Zuid-Afrika worden twee nieuwe radiotelescopen gebouwd. De MeerKAT-telescoop in Zuid-Afrika zal in 2013 in gebruik worden genomen en zal dan de grootste radiotelescoop in Afrika zijn. Naar verwachting zal binnen twee jaar ook de Nigeria Radio Telescope klaar zijn voor onderzoek naar zwarte gaten, moleculaire wolken en de vorming van sterrenstelsels.
Maar ook zonder telescopen zal de hemel de aandacht van Afrikanen blijven trekken; op 15 januari is in onder meer Tsjaad, Kenia en Somalië weer een zonsverduistering te zien.

 

= = = =
Galileoscopes, de goedkope maar degelijke telescopen die de IAU uitdeelt in Afrika, kun je ook zelf bestellen: http://www.dekoepel.nl/Galileoscoop.html

In januari is in een groot deel van Afrika weer een zonsverduistering te zien. Een kalender van aankomende zonsverduisteringen is te vinden op de speciale site van NASA: http://eclipse.gsfc.nasa.gov/

Op de website van astrofotograaf Thierry Legault zijn de foto’s te zien die hij maakte tijdens zijn reis met Jaime Vilinga naar Angola in 2004: http://www.astrosurf.com/legault/angola_mai2004.html

Officiële site van het Internationaal Jaar van de Sterrenkunde: http://www.astronomy2009.nl

De aarde bij nacht is te zien op aan elkaar geplakte satellietfoto’s: http://apod.nasa.gov/apod/ap001127.html

Publicatiedatum:
01/12/2009

Juweel van een kerkorgel

Voor dagblad Trouw schreef ik een kort artikel over een leuk project. In het Overijsselse Hasselt bouwden vijftien gepensioneerde mannen een kerkorgel voor hun kerk.

Fotograaf Herman Engbers wees me op het onderwerp; hij volgde de bouw van het orgel al maanden:

 

Publicatiedatum:
28/08/2009

Fanatieke veelschrijvers die elke dag op van alles reageren

Mensen die artikelen lezen op de website van Trouw zeggen graag wat terug. Afgelopen jaar schreven de bezoekers samen 54.000 reacties. De meesten reageren een enkele keer, als een onderwerp hen raakt, maar er is een fanatieke groep die elke dag op van alles reageert. Waarom? Wie zijn zij? En waar halen ze de tijd vandaan? Ik belde met vier veelschrijvers.

Lezersreacties op trouw.nl

Lang niet alle van de duizenden reacties afgelopen jaar op artikelen op trouw.nl zijn door de internetredactie doorgelaten. Bijna een kwart werd geweigerd, vooral vanwege niet-terzake of grove opmerkingen. De 25 grootste reageerders schreven samen 20 procent van alle reacties.

Cor Wijtvliet (52 jaar) stuurde 524 reacties, waarvan ruim een derde werd geweigerd. Wisselt citaten van Hegel af met grove en seksistische opmerkingen over linkse politici.

Mark Nieuweboer (43) schreef bijna duizend berichten, meest korte, beschouwende reacties, vanuit zijn woonplaats Moengo in Suriname. Omschreef zich in een van zijn reacties als ’links-radicaal’.

’Addo Eijlsum’ (pseudoniem, naar een voorvader met die voornaam uit het plaatsje Eilsum) is 56 jaar en hoofd van een overheidsarchief. Reageerde zo’n 200 keer. Ergert zich aan ’vaak erg rechtse, benepen, soms ronduit gevaarlijke reacties van anderen’ die hem ’nopen tot een contrareactie’.

Jan ’Bukowsky’ Geerling (60) is een beruchte veelschrijver met de meeste reacties op zijn naam: 1800 berichten. Daarvan werden 270 geweigerd, zoals: „De wereld zou er een stuk beter van worden als Iran van de kaart zou worden geveegd. En alle moslims in de wereld. En het is mogelijk.”

 

Publicatiedatum:
29/12/2006

Oude grondstoffen in een nieuw tijdperk

Raffinaderij van oliemaatschappij Petro-Canada © Flickr / mastermaq

Hoe lang we nog vooruit kunnen met de huidige voorraad olie weet niemand precies. Het is wel zeker dat overschakelen naar een alternatief voor olie, als het zover is, een behoorlijke omslag zal zijn. Wat voor toekomst gaan de olieproducerende landen tegemoet in het aanstaande waterstof-tijdperk?

Achter het overstappen op waterstof gaat meer schuil dan alleen een ander soort automotor. De volledige infrastructuur van de energievoorziening moet worden omgegooid. Als de wereld inderdaad al binnen een paar decennia overgaat op waterstof dan wordt dat vast nog wel even wennen. Vooral voor de olieproducerende landen, waar die grondstof vaak dé bron van inkomsten is. Sinds 1960 zijn die landen verenigd in de Organisation of Petroleum Exporting Countries: OPEC. Deze in het Westen beruchte organisatie, die meestal grimmig neergezet wordt als ‘oliekartel’, heeft 11 lidstaten die samen 40 procent van de productie, en 55 procent van de mondiale export van olie voor hun rekening nemen.

Publicatiedatum:
13/06/2004

Page 2 of 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén